|
NIEUWSBRIEF 2, DECEMBER 1998Resultaten enquêteIn april/mei van dit jaar (1998) heeft het LPP een enquête gehouden onder de 160 organisaties voor peuterspeelzaalwerk die tot dat moment hun adhesie hadden betuigd met het LPP. Een samenvatting van de resultaten staan hieronder vermeld. Van de 160 verzonden vragenformulieren kwamen er 139 ingevuld retour. Een respons van 87 %. Bij de uitwerking zijn organisaties opgesplitst in 4 categorieën (aantal speelzalen):
Van de organisaties met 1 speelzaal bleek 7 % lid te zijn van de VOG. Van de organisaties met 2 - 6 speelzalen was 58 % lid, van organisaties met 6 - 20 speelzalen lag het percentage op 74 % en van de organisaties met meer dan 20 speelzalen was 90 % lid. Op de vraag of en zo ja op welke manier de organisaties de leiding van de speelzalen honoreerde bleek achtereenvolgens het volgende. (scw = Sociaal Cultureel Werk en kdv = Kinderdagverblijven)
Voor wat betreft de verhouding ouderbijdrage subsidie bleek dat bij de organisaties met 1 speelzaal bij 61,4 % het jaarlijks totaal aan ouderbijdrage hoger was dan het subsidie terwijl bij de organisaties met meer dan 20 speelzalen dat percentage 0 % was. Bij de organisatie met meer dan 20 speelzalen bleek bij 60 % het totaal aan subsidie hoger te zijn dan het totaal aan ouderbijdrage. Bij 20 % bleek het totaal aan subsidie gelijk aan het totaal aan ouderbijdrage. Tegelijkertijd kon worden geconstateerd dat bij 39 % van de organisaties met 1 speelzaal peuterspeelzaalwerk een apart beleidsmatig item in de betreffende gemeente is. Terwijl bij de organisaties met meer dan 20 speelzalen dat percentage 70 % was. Voor wat betreft de gehanteerde leeftijdsgrens bleken er geen grote verschillen tussen grote en kleinere organisaties. Het aantal speelzalen dat een peuterspeelzaalleeftijd hanteert van 2 - 4 jaar is ongeveer gelijk aan de organisaties die een leeftijd hanteren van 2 1/2 - 4 jaar. Zeer divers was de leidster-kind ratio. Er werd hierbij gevraagd naar het aantal betaalde leidsters per groep. In de praktijk zijn er praktisch altijd 2 volwassenen op een groep aanwezig. De leidster kind-ratio varieerde van 1 betaalde leidster op 6 kinderen tot 1 betaalde leidster op 18 of meer kinderen. Alle andere mogelijkheden zaten er tussen. Over het algemeen kwam 1 leidster op 14 a 15 peuters het meest voor. Het ging hier dus een kleine peiling op basis van een eenvoudig vragenformulier. Hoewel niet wetenschappelijk benaderd en opgezet werd door de enquête wel degelijk de veronderstelling bevestigd dat de diversiteit binnen peuterspeelzaal land uiterst groot is. De resultaten van de enquête gaven verder aan dat de grootte van de speelzaal organisatie recht evenredig is aan de mate van professionalisering en aan de verhouding subsidie / ouderbijdrage.
|