Nieuwsbrief nummer 5, juni 2000

Algemeen landelijke ontwikkelingen

Ook nu weer veel nieuws. De aandacht voor het peuterspeelzaalwerk blijft toenemen. Die aandacht beperkt zich tot nu toe met name tot peuterspeelzaalwerk in relatie tot achterstandsbestrijding. In het kader van het te ontwikkelen lokale jeugdbeleid hebben de 3 betrokken overheden (rijk, provincies en gemeenten) echter afgesproken balans te brengen in het jeugdbeleid, door niet alleen te focussen op de problemen, maar ook te investeren in de versterking van algemene voorzieningen voor jeugdigen.

Op 6 april jl. vergaderden de vaste kamercommissies OC&W en VWS over de voor- en vroegschoolse educatie). Tijdens de vergadering kwam het peuterspeelzaalwerk als voorschoolse voorziening expliciet aan de orde. Het LPP heeft door middel van een fax op de leden van de beide commissies een dringend beroep gedaan aandacht te besteden aan het verbeteren van de randvoorwaarden van het peuterspeelzaalwerk in het algemeen. Wil het peuterspeelzaalwerk de rol gaan vervullen die het wordt toebedacht dan is dat een must.

Voor het LPP is een goede basisstructuur voor het totale peuterspeelzaalwerk een vereiste. 'De peuterspeelzaal' moet in iedere gemeente op dezelfde wijze gefaciliteerd worden. Pas als de basis goed is, is het mogelijk om in specifieke gevallen peuterspeelzalen extra functies toe te delen. Het fundament waarop gebouwd gaat worden moet goed zijn! Het LPP blijft voor het bovenstaande, zoals u ziet, dan ook steeds aandacht vragen.

[Terug] [Omhoog]

Convenant 'ergonomie in de kinderopvang'

Het convenant "Ergonomie in de kinderopvang" richt zich op de dagopvang en de buitenschoolse opvang. Enige tijd geleden heeft het LPP bij zowel het AWO fonds* (stichting Arbeidsmarkt-, Werkgelegenheids- en Opleidingsfonds voor de sector zorg en welzijn) als bij de VOG aangedrongen op een opname van het peuterspeelzaalwerk in een convenant "Ergonomie in de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk". Ook in peuterspeelzalen is sprake van fysieke belasting. Ook daar dienen leidsters te worden beschermd tegen te zware fysieke belasting.

Inmiddels is ten aanzien van het peuterspeelzaalwerk de intentie vastgelegd om het convenant binnen een jaar aan te vullen met afspraken over het terugdringen van de fysieke belasting bij peuterspeelzalen. Op dit moment voert TNO - Arbeid in opdracht van het AOW-fonds onder peuterspeelzalen een inventariserend onderzoek uit. Uit dat onderzoek moet blijken in hoeverre de in de kinderopvang gehanteerde normen op het peuterspeelzaalwerk toepasbaar zijn en welke aanpassingen nodig zijn.

* Het AWO-fonds voert in opdracht van de sociale partners het project "arbo cocentant kinderopvang uit" en vervult daarin een coördinerende rol.

[Terug] [Omhoog]

Piramide Door dr. Jef J. van Kuyk

Piramide is een educatieve methode voor de ontwikkeling van álle kinderen van peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en de groepen 1 en 2 van de basisschool. Het is een methode met een grote inhoudelijke samenhang in de activiteiten voor kinderen van drie tot zes jaar. Door speciale voorzieningen in het programma is het ook geschikt voor groepen kinderen die extra stimulering nodig hebben. Zo is er in het programma een extra taallijn opgenomen om kinderen met taalachterstanden te helpen of allochtone kinderen te helpen hun woordenschat uit te breiden. Aan het Piramideprogramma is ook een tutorprogramma verbonden, een programma om kinderen individuele hulp te geven, dat gebaseerd is op het dagelijks programma en vooral bedoeld is voor preventief gebruik.

Piramide heeft een sterke pedagogische basis. De leidster/leerkracht bouwt een hechte band op met de kinderen, waardoor ze zich veilig en geborgen voelen.

In Piramide is er steeds een wisselwerking van het initiatief van het kind en van de leidster/leerkracht. Deze vindt zijn uitwerking in drie belangrijke werkvormen: in spel, in projecten en in tutoring. Het initiatief wordt sterk gestimuleerd in het spel, waarin het kind zelf zijn keuzes kan maken en zijn eigen fantasie kan ontwikkelen in een rijke speelomgeving. Kinderen die onvoldoende in staat zijn te spelen, kunnen worden geholpen hun initiatief te vergroten, door de leidster/leerkracht die meespeelt, spelsuggesties geeft of het kind leert spelen. De leidster/leerkracht heeft een sensitieve houding waarmee ze het kind ondersteunt waar dat nodig en wenselijk is. Ze is voor ieder kind beschikbaar.

Deze zelfde wisselwerking zien we bij de projecten waaraan de kinderen iedere twee tot drie weken werken. De leidster/leerkracht brengt in de vorm van thematische projecten de wereld van buiten naar binnen. Ze zet bij het project Kleding bijvoorbeeld een rek met kleren neer en een rek met schoenen en geeft zo nieuwe impulsen om naar aanleiding van het onderwerp te spelen. Ze onderzoekt aan de hand van concreet materiaal en een ontdektafel de onderwerpen samen met de kinderen. Ze begint heel nabij met concrete materialen en helpt de kinderen afstand te nemen en brengt ze zo op een steeds hoger mentaal niveau.

Als kinderen onvoldoende profiteren van het spel en de projecten krijgen ze tutoring. Dit is individuele begeleiding van een extra leidster/ leerkracht over een langere periode. Het tutorprogramma is vooral preventief en gekoppeld aan de projectthema's. Sterk verbonden met de projectthema's is ook de ouderbetrokkenheid. Ouders worden gestimuleerd aan de projecten mee te werken.

Een belangrijk aspect in Piramide is het volgen van de kinderen in hun ontwikkeling. Dat gebeurt dagelijks in de korte-termijnevaluatie. Daarnaast is er lange-termijnevaluatie. Twee keer per jaar wordt daarvoor het peuter- en kleutervolgsysteem gebruikt. Het is methode-onafhankelijk en kan ook in andere educatieve methodes worden gebruikt. Als we zoeken naar de beste manier om kinderen extra te stimuleren, maken we gebruik van diagnostische evaluatie.

[Terug] [Omhoog]

Samenvatting onderzoeksresultaat experiment Kaleidoscoop en Piramide

Op donderdag 6 april jl werden de onderzoeksresultaten openbaar van een vierjarig experiment van de programma's Kaleidoscoop en Piramide . Het experiment werd uitgevoerd in de praktijk van peuterspeelzalen en de eerste twee leerjaren van de basisschool. Uitgangspunt bij het experiment was het hardnekkige probleem van de onderwijsachterstanden en de behoefte aan programma's, die een bijdrage zouden kunnen leveren aan het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. Hieronder een samenvatting van de belangrijkste conclusies van genoemd onderzoek.

Het onderzoek toont aan dat de programma's Kaleidoscoop en Piramide, vooral bij de kinderen die vanaf de peuterspeelzaal één van de programma's hebben gevolgd (gedurende 4 jaar), degelijk effecten hebben. Het sterkste effect betreft het cognitieve domein. Vooral als het gaat om het hanteren van begrippen, wat beschouwd kan worden als een voorwaarde voor het rekenen. Daarnaast is er bij Kaleidoscoop een sterker effect op de taalontwikkeling en bij Piramide een sterker effect op de denkprocessen geconstateerd. Op sociaal-emotioneel terrein zijn er ten opzichte van de controlegroep, waar niet met één van beide programma's werd gewerkt, nauwelijks specifieke effecten van betekenis gemeten.

De Kaleidscoopleerlingen vertonen een positieve taalontwikkeling, zowel in de eigen taal als in het Nederlands. Gebleken is verder dat alle kinderen evenveel van de programma's profiteren. Ze zijn dus bijvoorbeeld niet beter voor Marokkaanse of Turkse kinderen dan voor Nederlandse.

Gekeken naar de opbrengsten van de programma's voor de peuterspeelzalen en leidsters, concluderen Schonewille e.a dat beide programma's aan de leidsters van peuterspeelzalen houvast en structuur bieden voor hun dagelijks werk in de groepen van kinderen. De inhouden worden bij Kaleidoscoop aangedragen in de vorm van een ideeënboek en de sleutelervaringen. De programma's bieden een structuur voor de indeling van de activiteiten op een dag. De leidsters moeten met vrij strakke dagschema's werken. De programma's geven verder in voldoende mate aan met welke materialen en speelleermiddelen er gewerkt moet worden. De programma's bieden vervolgens veel aanwijzingen voor het inrichten van een voor kinderen stimulerende omgeving en geven duidelijkheid over 'hoe leert een kind het beste' en 'hoe ontwikkelt het zich optimaal'. Voor een goede observatie en registratie blijken de beide programma's een legio aanwijzingen te bieden en tevens bieden ze voldoende aanwijzingen voor de wijze waarop ouders bij de ontwikkeling van hun kinderen thuis en op de peuterspeelzaal betrokken kunnen worden.

In het onderzoeksrapport 'De implementatie van Kaleidoscoop en Piramide' concludeert Reezigt dat de bij het experiment betrokken leidsters overwegend positief over de bruikbaarheid van de beide programma's oordelen. Er wordt echter tevens geconstateerd dat beide programma's veel tijd kosten. Ook de effecten op de kinderen en op het eigen gedrag worden door de betrokken leidsters positief ingeschat. Het feit dat binnen Kaleidoscoop van de leidsters wordt verwacht de kinderen dagelijks te observeren en over deze observaties notities te maken, wordt door de leidsters weinig gewaardeerd.

Bronnen:

  • 'Kaleidoscoop en piramide', samenvattend evaluatierapport. Schonewill B., Kloproge J.J.J. en Leij van der A. Sardes Utrecht januari 2000
  • 'De implementatie van Kaleidoscoop en Piramide'. Reezigt G.J.. GION. Groningen, 1999.
[Terug] [Omhoog]

Korte beschrijving 'Horen, zien en zeggen' Door Mieke van de Rijdt

Sinds augustus 1998 wordt er in 20 intensieve speelzalen in Nijmegen gewerkt met de taalstimuleringsprogramma's "Horen, zien en … zeggen", bestaande uit een methode voor autochtone en één voor allochtone kinderen. Dit is mogelijk gemaakt door de inzet van GOA- middelen.

De doelstelling van het programma is tweeledig, namelijk:

  • het stimuleren van de spraak- en taalontwikkeling van peuters in achterstandssituaties, zodanig dat dit tot betere kansen in hun verdere schoolcarrière zal leiden;
  • het vergroten van de betrokkenheid van ouders bij de spraak- en taalontwikkeling van het kind door kennis en inzicht in de rol en de manier waarop ze zelf de taalontwikkeling van hun kind kunnen stimuleren.

De methodieken zijn ontwikkeld en uitgevoerd in een aantal speelzalen in samenwerking met de Hogeschool Arnhem/Nijmegen, afdeling logopedie in de jaren '90 - '97.

Het taalprogramma sluit aan bij het Nijmeegse Peuter Volgsysteem, dat in deze speelzalen gebruikt wordt en is te beschouwen als een stimuleringsplan voor kinderen die extra aandacht nodig hebben voor hun taalontwikkeling. Er wordt gewerkt aan zowel de basisvoorwaarden (concentratie, luisterhouding, mondmotoriek, sociaal emotionele- en cognitieve ontwikkeling) als aan de talige aspecten (zinsbouw, woordenschat, begrip, luisterhouding, verstaanbaarheid).

De ruime aandacht die aan de basisvoorwaarden wordt besteed, maakt dat het programma als totaal programma kan worden beschouwd, waarbij taal als invalshoek wordt geklozen.

De methodiek bestaat uit:

  • informatie voor leidsters over taalontwikkeling / tweede taalverwerving / taalstimulering;
  • twintig uitgewerkte thema's met handleiding;
  • ouderactiviteiten: ouderbijeenkomsten, oudergesprekken, plakboeken en thuisactiviteiten;
  • om effecten te meten en vorderingen te registreren zijn er: doelwoordenlijsten, in- en uitstaptoetsen, observatielijsten en oudervragenlijsten.

Betrokkenheid van ouders is een voorwaarde voor deelname van het kind.De werkwijze is op maat, afhankelijk van de mogelijkheden van de betreffende locatie. Wel blijven, naast de specifieke activiteiten voor kinderen, activiteiten gericht op de ouders en de samenwerking / afstemming met scholen essentieel.

Het KION vindt het belangrijk dat het programma geen losse activiteit is maar breed gedragen wordt. Er zijn dan ook veel samenwerkingspartners zoals: basisscholen, School Adviesdienst, Thuiszorg, GGD, afdeling logopedie, bibliotheek, Sociaal Cultureel Werk, Katholieke Universiteit Nijmegen.

De universiteit gaat de komende jaren onderzoek verrichten naar de effecten op de lange termijn. Tevens wordt onderzocht hoe de relatie is tussen behaalde effecten en de mate van ouderbetrokkenheid, de interactie tussen leidster/kind en de gezinskenmerken.

Nadere informatie bij het KION, Mieke de Rijdt, Berg en Dalseweg 61, 6522 BB Nijmegen, Tel: 024-3602058.

[Terug] [Omhoog]

Regeling Voor- en vroegschoolse Educatie

Met ingang van 1 mei 2000 is de 'Regeling voor- en vroegschoolse educatie' in werking getreden. Het doel van de regeling is de uitbreiding van de deelname van het aantal 3-5 jarigen met grote (taal)achterstand aan effectieve voor- en vroegschoolse programma's te realiseren teneinde de (taal)achterstand in groep 3 van het basisonderwijs te voorkomen. Effectieve programma's moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • het programma moet geschikt zijn voor 3-jarigen en moet doorlopen tot en met groep 2 van de basisschool;
  • er moet sprake van een gestructureerde didactische aanpak;
  • er moet gezorgd worden voor een intensieve begeleiding van de deelnemende 3-5 jarigen;
  • het programma moet verzorgd worden door daarvoor voldoende gekwalificeerd personeel van een instelling;
  • het programma moet in een voorschoolse instelling of basisschool worden gegeven.

De regeling is van toepassing op gemeenten waarin één of meer basisscholen of nevenvestigingen zijn gelegen waarvan 70% of meer van de leerlingen op de teldatum 1 oktober 1999 een leerlingengewicht hebben (1,25 1,4 1,7 1,9).

[Terug] [Omhoog]

Onderzoek VNG

Het LPP heeft begin van dit jaar op verzoek van de VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten) medewerking verleend aan een onderzoek dat zich richtte op de kernpartners, die 'werken met jeugd' als kerntaak hebben, namelijk peuterspeelzalen, consultatiebureaus, basisscholen en GGD'en. De VNG ziet de 4 genoemde werksettings als de 4 belangrijkste kernpartners als het gaat om jeugdbeleid 0 tot 6 jarigen.

In mei jl. verscheen onder de titel "Gericht kiezen voor lokaal integraal jeugdbeleid" het concept onderzoeksrapport . De onderzoekers concludeerden aan de hand van de gevoerde gesprekken dat met betrekking tot het peuterspeelzaalwerk op dit moment niet van een algemene noemer kan worden gesproken. De wijze van samenstelling, leiding en professionaliteit van de instellingen die tot het peuterspeelzaalwerk behoren is daarvoor te divers.

De onderzoekers concludeerden verder dat:

  • Bij peuterspeelzalen het optimaal stimuleren van peuters in de leeftijd van 2 - 4 jaar door ze een goede lichamelijke en emotionele verzorging te bieden, hoog in het vaandel staat;
  • Het peuterspeelzaalwerk, als aanvulling op de spelmogelijkheden thuis, peuters een gevarieerde speelgelegenheid wil bieden;
  • Het peuterspeelzaalwerk zowel achterstanden signaleert op sociaal, emotioneel, cognitief en taalkundig terrein, als wel voor deze terreinen ontwikkelingsmogelijkheden biedt;
  • Het peuterspeelzaalwerk zichzelf ziet als een pedagogische voorbereiding op het basisonderwijs.

De onderzoekers omschrijven de kernactiviteit van het peuterspeelzaalwerk als volgt:

  • Het op een methodische werkwijze peuters spelenderwijs stimuleren in hun dagelijks spel.;
  • Het bieden van een laagdrempelige opvang en het stimuleren van de algemene ontwikkeling.
  • Het bieden van een ontmoetingsplaats aan ouders en het ondersteunen van ouders inzake opvoedingsvragen- en problemen.

De onderzoekers concludeerden verder onder andere dat naar de mening van het peuterspeelzaalwerk op dit moment een aantal knelpunten het goed functioneren van peuterspeelzalen in de weg staat. Hierbij werden genoemd:

  • Een tekort aan capaciteit (wachtlijsten);
  • Gelet op de algehele doelstelling van het peuterspeelzaalwerk is deskundigheidsbevordering en scholing noodzakelijk;
  • Er ontbreken eensluidende erkenningsnormen;
  • Er ontbreken richtlijnen inzake kwaliteitseisen;
  • Het ontbreekt aan een duidelijke aansluiting met het basisonderwijs;
  • Verwijzing naar Bureaus Jeugdzorg en speciaal onderwijs zijn voor verbetering vatbaar.

De VNG claimt op grond van de conclusies van het bovenstaande onderzoek 416 miljoen gulden voor het peuterspeelzaalwerk:

  • 250 miljoen gulden voor de professionalisering van het peuterspeelzaalwerk;
  • 100 miljoen gulden voor het aanbieden van ontwikkelings- en taalprogramma's;
  • 66 miljoen voor de uitbreiding van 40.000 peuterplaatsen.

Bronnen:

  • Regeling vve. OCenW-Regelingen. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Kenmerk PO/OO-2000/6729. Den Haag, 11 april 2000.
  • Concept-rapport "Gericht Kiezen voor lokaal integraal jeugdbeleid". Price, Waterhouse Coopers. Utrecht, 16 mei 2000.
  • VNG magazine 14 april 2000
[Terug] [Omhoog]

Nieuws vanuit het land

Peuterspeelzaal "de Lepelaar" uit Sint Anthonis bestond op 15 april jl 25 jaar. Van harte gefeliciteerd.

Nog voordat de nieuwe gemeente Maasdriel, na een gemeentelijke herindeling, waarbij een vijftal kleine gemeente betrokken was, een feit was zochten de betrokken peuterspeelzalen elkaar op. De gemeente Maasdriel onderkende dat van peuterspeelzaalzalen steeds meer werd verwacht. Het resultaat was twee gediplomeerde leidsters op een groep, een verhoging van het subsidie per peuterspeelzaal van 12,5% en een verhoging van 10% in de subsidiering van de totale kosten (van 40% naar 50%).

In Friesland zijn 5 peuterspeelzalen per 1 januari jl opgegaan in een nieuwe organisatie de Stg. Peuterspeelzaalwerk Skarserlân in Joure. De dagelijkse leiding is in handen van Simone Boxma.

[Terug] [Omhoog]