Nieuwsbrief 6, oktober 2000

Algemeen landelijke ontwikkelingen

Er is en blijft ontzettend veel in beweging rond het peuterspeelzaalwerk. Opvallend in al die ontwikkelingen is dat de aandacht voor het peuterspeelzaalwerk bijna uitsluitend plaats vindt vanuit de onderwijsoptiek. Dit betekent dat veel informatie het werkveld niet of in onvoldoende mate bereikt. Zo werd in de vorige Nieuwsbrief reeds melding gemaakt dat met ingang van 1 mei 2000 de 'Regeling voor- en vroegschoolse educatie' in werking getreden was getreden. De regeling was opgenomen in het blad UITLEG (een onderwijsvaktijdschrift). In juni ging "de Beleidsbrief Voor- en Vroegschoolse Educatie" namens de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid en de staatssecretarissen van OC&W en VWS naar de 2e kamer. In juni verscheen ook de nota van staatssecretaris Adelmund "Aan de slag met onderwijskansen". De beleidsbrief en de nota komen verderop in de Nieuwsbrief nog aan de orde.

Opvallend is dat op de diverse beleidsdeelterreinen er herhaaldelijk gesproken wordt over verschillende leeftijdscategorieën. In de regeling VVE gaat het om drie jarigen. In de beleidsbrief VVE gaat het om twee- en driejarigen. Binnen integraal jeugdbeleid gaat het om een sluitende aanpak van nul tot zesjarigen enz. enz.

VWS gaat een groot onderzoek houden onderpeuterspeelzalen. Over het ophanden zijnde onderzoek naar de stand van zaken binnen het totale peuterspeelzaalwerk wordt onder punt 4 het nodige vermeld.

In opdracht van de VNG is uitgerekend wat het zou gaan kosten om het totale peuterspeelzaalwerk in Nederland te professionaliseren. Het LPP heeft in het begin van dit jaar haar medewerking verleend aan het onderzoek dat ten grondslag lag van de berekening. Onder punt 5 wordt hier nader op ingegaan.

Onlangs verscheen de de nota "Hoofdlijnen Wet basisvoorziening kinderopvang" . Peuterspeelzaalwerk valt hoogstwaarschijnlijk buiten de Wet Basisvoorziening kinderopvang. In de nota wordt eigenlijk voor het eerst 'de peuterspeelzaal' beschouwd als niet zijnde een kinderopvangvoorziening. Verderop in de Nieuwsbrief wordt nader op de nota ingegaan.

Het LPP is erg blij met de steeds maar toenemende belangstelling voor het Peuterspeelzaalwerk. Tegelijkertijd moet echter geconstateerd worden dat de aandacht zich lijkt toe te spitsen op het fenomeen "peuterspeelzaal als middel tot achterstandbestrijding". Natuurlijk een uiterst belangrijke zaak. Het LPP staat echter een algemene professionalisering van het totale peuterspeelzaalwerk in Nederland voor. Zowel de werkgevers (de VOG) als de werknemers (de ABVA/KABO) delen deze mening. Het LPP zal er voor waken dat er binnen het peuterspeelzaalwerk een tweedeling gaat ontstaan. Een tweedeling in peuterspeelzalen met overwegend kinderen 'waar niets mee aan de hand is' en peuterspeelzalen met veel kinderen die om wat redenen dan ook extra aandacht nodig hebben. 'Reguliere peuterspeelzalen' versus 'achterstandsspeelzalen', waarbij uitsluitend in 'achterstandsspeelzalen' geïnvesteerd gaat worden. Uiteraard is het LPP van mening dat juist de peuterspeelzaal bij uitstek de plaats is waar vroegtijdig gewerkt kan worden aan de verhoging van de onderwijskansen op latere leeftijd, maar dit kan niet zonder eerst te investeren in de basis.

Het LPP maakt zich grote zorgen over het tempo waarmee men, met name vanuit het Ministerie van OC&W de voorschoolse educatie binnen het peuterspeelzaalwerk vorm wil gaan geven. De beschikbaar gestelde financiële middelen zijn uitsluitend dan wel hoofdzakelijk bedoeld om 3 jarigen 4 dagdelen per week naar een peuterspeelzaal te krijgen, het aantal formatieplaatsen uit te breiden, de deskundigheid te bevorderen en voor de aanschaf van speelleermateriaal. Er wordt volstrekt voorbijgegaan aan het feit dat het peuterspeelzaalwerk nauwelijks in voldoende mate is gefaciliteerd. In vele gevallen wordt nauwelijks voldaan aan de benodigde basisvoorwaarden. Er wordt volstrekt voorbij gegaan aan zaken als de algemeen gehanteerde instroomleeftijd van 2 of 2 ½ jaar, de leidster-kindratio (die in Nederland varieert van 1 leidsters op 9 kinderen tot 1 leidster op 22 kinderen), de belabberde huisvesting van veel peuterspeelzalen, het benodigde aantal peuterspeelzalen, de openstelling, de hoogte van de ouderbijdrage, het ontbreken van iedere vorm van uniformering en normering. Enz. enz. Het LPP heeft sterk de indruk dan Haagse beleidsmakers en politici volstrekt geen zich hebben op hoe het peuterspeelzaalwerk er in de praktijk uit ziet. Het grootscheepse onderzoek van VWS brengt het bovenstaande hopelijk in beeld ! De huidige ingeslagen weg lijkt er één van de bouw van 'een VVE -huis' op drijfzand. (zie verderop in de Nieuwsbrief ook het persbericht van Sardes).

Het LPP vraagt met name aan de organisaties die peuterspeelzaalwerk uitvoeren in de 69 grootste gemeenten van ons land het LPP op de hoogte te houden van de lokale ontwikkelingen rond de implementatie van de VVE. In veel gemeenten wordt het peuterspeelzaalwerk nadrukkelijk in de lokale planvorming betrokken. In veel gevallen is reeds sprake van een goede en een als vanzelfsprekende samenwerking tussen het peuterspeelzaalwerk en het basisonderwijs. Maar er zijn talloze gemeenten waar van die vanzelfsprekendheid nog lang geen sprake is. In enkele gevallen dreigt het peuterspeelzaalwerk zelfs helemaal niet in de planvorming betrokken te worden.

Vervolgens zouden de provinciale ondersteuningsorganisaties veel alerter op de ontwikkelingen moeten inspelen. Van hen wordt immers straks verwacht een belangrijke rol te vervullen bij de deskundigheidsbevordering van leidsters (zie oa Bestuursakkoord Nieuwe Stijl).

Steeds meer groeit de overtuiging dat het LPP feitelijk de rol van een landelijk informatie- en adviespunt gaat vervullen. Aan een dergelijke rol is blijkbaar in toenemende mate behoefte. Organisaties voor peuterspeelzaalwerk herkennen zich niet alleen in elkaar maar ook in het LPP. Eigen aan de werksoort: het ontstaan van binnenuit en een opbouw van onderaf.

Op 21 november a.s. organiseert het LPP in samenwerking met de Makelaar VVE een openbaar debat over het peuterspeelzaalwerk.

Bronnen:

  • Regeling vve. OCenW-Regelingen. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Kenmerk PO/OO-2000/6729. Den Haag, 11 april 2000.
  • "Hoofdlijnen Wet basisvoorziening kinderopvang". Te bestellen bij: Directie jeugdbeleid van het ministerie van VWS. Postbus 20350, 2500 EH Den Haag. Per fax: 070 - 340 54 10. Bestelen onder vermelding van: DJB 00-032. Den Haag, juni 2000.
[Terug] [Omhoog]

Openbare "Expert Meeting Peuterspeelzalen"

Op dinsdag 21 november a.s. organiseert het LPP In samenwerking met de Makelaar VVE een EXPERT MEETING ROND PEUTERSPEEL-ZAALWERK, in het provinciehuis in Arnhem rond de onderwerpen: Inhoud, positionering en facilitering van het peuterspeelzaalwerk.

Aan de discussie nemen deel zo'n 100 experts. Mensen werkzaam binnen organisaties voor peuterspeelzaalwerk; leden van de vaste kamercommissies OC&W en VWS; Beleidsambtenaren OC&W en VWS; Verantwoordelijk wethouders; Lokale beleidsambtenaren; Ontwikkelaars voor- en vroegschoolse programma's; Beleidsmedewerkers beleidsontwikkelingsorganisaties (NIZW*, PMPO, APS, KPC, CPS e.d.); Consulenten provinciale ondersteuningsorganisaties

Zij gaan in discussie met elkaar en met de deelnemers aan een rondetafelgesprek dat aan de genoemde discussie vooraf gaat. Aan dat rondetafelgesprek nemen deel:

  • Drie leden van het LPP;
  • Drs. Anke v. Dijke, projectleider van het project Pedagogische Vernieuwing (NIZW);
  • Prof. Dr. Marianne Riksen-Walraven (hoogleraar in het empirisch onderzoek naar de theorievorming over opvang voor kinderen van 0-12 jaar);
  • Liesbeth Hesselink makelaar VVE (PMPO);
  • Drs. Carolien Gelauff, coördinator van het programma Vernieuwing van Opvang, Opvoeding en Educatie in het Derde Milieu en Makelaar VVE (NIZW);
  • Marc van der Riet, beleidsmedewerker jeugdbeleid (VNG);
  • Drs. Carla Bienemann, beleidsmedewerker kinderopvang (VOG);
  • Roelanda van Dueren den Hollander, (projectleider Project Peuterspeelzalen (VOG);
  • Ben Hoogendam, beroepsinhoudelijk medewerker (ABVA/KABO).

Gebruikte afkortingen:

  • NIZW: Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn
  • PMPO: Procesmanagement Primair Onderwijs
  • APS: Algemeen Pedagogisch Studiecentrum
  • CPS: Christelijk Pedagogisch Studiecentrum
  • KPC: Katholiek Pedagogisch Studiecentrum
  • VVE: Voor- en Vroegschoolse Educatie
  • OC&W: Onderwijs Cultuur en Wetenschappen
  • VWS: Volksgezondheid Welzijn en Sport
  • VNG: Vereniging Nederlandse Gemeenten
  • VOG: werkgeversorganisatie
[Terug] [Omhoog]

Indicatie kosten volledige professionalisering van alle bestaande peuterspeelzalen

De VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) heeft op grond van een onderzoek berekend dat een volledige professionalisering van het peuterspeelzaalwerk In Nederland fl 250 miljoen zou gaan kosten. De VNG hoopt dat de indicatie van de kosten een bijdrage kan leveren aan de discussie over de voor- en vroegschoolse educatie.

"Gericht kiezen voor lokaal integraal jeugdbeleid". PriceWaterhouseCoopers. Utrecht, 13 juni 2000.

[Terug] [Omhoog]

Nota "Hoofdlijnen Wet basisvoorziening Kinderopvang"

Het peuterspeelzaalwerk gaat hoogstwaarschijnlijk buiten deze wetgeving vallen.

In de nota "Hoofdlijnen wet basisvoorziening kinderopvang" (Ministerie van VWS e.a., juni 2000) wordt geconcludeerd dat kinderopvang voor 0-4 jarigen en peuterspeelzalen gemeen hebben dat zij beide kinderen in groepsverband opvangen, maar dat er echter vooral verschillen zijn:

  • Een van de doelstellingen van kinderopvang is ouders in staat te stellen arbeid en zorg te combineren. Peuterspeelzalen zijn primair gericht op het bieden van een veilige speel- en ontmoetingsplek voor jonge kinderen en hun ouders. In de achterstandswijken wordt het peuterspeelzaalwerk veelal ingezet op gerichte ontwikkelingsstimulering (Voor- en Vroegschoolse educatie);
  • Als gevolg van de arbeid-en-zorgdoelstelling dragen werkgevers wel bij aan de financiering van kinderopvang en niet aan de financiering van peuterspeelzalen;
  • De leeftijdscategorie van de doelgroep verschilt: opvang in peuterspeelzalen is beperkt tot de 2 (2,5) tot 4 jarigen terwijl kinderopvang op 0-12 jarigen betrekking heeft;
  • De bestuurlijke context is een andere: peuterspeelzaalwerk is al lange tijd gedecentraliseerd naar de gemeenten; bij kinderopvang hebben naast gemeenten ook andere partijen een bepalende rol.

In de nota wordt peuterspeelzaalwerk in de rij geplaatst van andere voorzieningen voor jonge kinderen (zoals onderwijs, sport- en vrije tijdsvoorzieningen).

"Hoofdlijnen wet basisvoorziening kinderopvang". Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en sport, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën. Den Haag, juni 2000.

[Terug] [Omhoog]

Project 'Profiel van de functies in het peuterspeelzaalwerk'

Op verzoek van de makelaar VVE hebben het NIZW en de KPC-groep een projectvoorstel 'Professionalisering van peuterspeelzalen' ontwikkeld. Het voorstel betreft een geïntegreerde aanpak waarbij drie onderdelen verbonden worden:

  1. een scholingsplan voor peuterspeelzaalleidsters met een voortrekkersfunctie;
  2. versterking van de steunfunctieorganisaties;
  3. professionalisering van bestaande peuterspeelzaalteams.

Het Project 'Profiel van de functies in het peuterspeelzaalwerk' is een deelproject van het totale project 'Professionalisering van peuterspeelzaalwerk'. Er is gekozen om met dit onderdeel te starten. Het belangrijkste doel in het deelproject is te komen tot een gevalideerd profiel van de functiestructuur voor peuterspeelzaalwerk. In oktober a.s. zal de begeleidingscommissie voor het eerst bij elkaar komen.

[Terug] [Omhoog]

Beleidsbrief voor- en vroegschoolse educatie

In juni jl. stuurden de staatssecretarissen van VWS en OC&W mede namens de Minister voor Grote Steden - en Integratiebeleid, de beleidsbrief Voor- en Vroegschoolse Educatie naar de Tweede kamer. In de beleidsbrief geeft het kabinet zijn aanpak van het VVE-beleid weer en worden het beleidskader en de concrete maatregelen waarmee dat wordt gerealiseerd geschetst.

In de beleidsbrief staat vermeld dat met name de peuterspeelzaal, als voorschoolse voorziening een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verbeteren van de taalvaardigheid en sociale en cognitieve ontwikkeling in het algemeen. Naast peuterspeelzalen gaat het in de beleidsbrief om consultatiebureaus en de onderbouw van het basisonderwijs. Deze 3 voorzieningen vormen in feite de kern van het VVE-beleid. Centraal staat een samenhangende aanpak langs verschillende sporen:

  • Invoering intensieve programma's;
  • Verhoging capaciteit en verbetering kwaliteit peuterspeelzalen;
  • Groter bereik;
  • Sluitende aanpak 0 - 6 jaar.

De peuterspeelzaal wordt nadrukkelijk beschouwd als de belangrijkste voorschoolse voorziening. Kinderdagverblijven worden in de beleidsbrief niet genoemd.

Beleidsbrief Voor- en Vroegschoolse Educatie. Kenmerk: DJB/APJB-2073228. OC&W / VWS.

[Terug] [Omhoog]

Aan de slag met onderwijskansen

In juni jl verscheen de nota "Aan de slag met onderwijskansen". Met deze nota presenteerde staatssecretaris Adelmund het actieprogramma om versneld aandacht te schenken aan de verbetering van onderwijskansen voor achterstandsleerlingen. Het kabinet wil de inspanningen van alle betrokkenen bij het onderwijskansenbeleid versneld bundelen en op elkaar afstemmen. Uitgangspunt is dat zij afspraken met elkaar maken en zich laten afrekenen op concreet geformuleerde resultaten als het gaat om de prestaties van scholen en leerlingen.

Voor wat betreft de voorschoolse educatie is de ambitie om zoveel mogelijk kinderen vanaf 2 jaar uit de doelgroep van het achterstanden beleid in hun cognitieve, talige en sociale ontwikkeling te ondersteunen en een dekkend netwerk van voorschoolse voorzieningen te realiseren. De ambitie past in het in het Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid en maakt deel uit van de afspraak in het overhedenoverleg (BANS) van 18 mei 2000 dat het o - 6 jarigenbeleid hoge prioriteit krijgt.

In de nota worden de school en de peuterspeelzaal genoemd als enige spelers in het veld van het onderwijskansenbeleid.

Verder wordt in de nota geconcludeerd dat de snel groeiende kinderopvang relatief moeilijk toegankelijk is voor kinderen van minder draagkrachtige ouders. Peuterspeelzalen zijn daarom de belangrijkste voorzieningen voor kinderen uit achterstandsgroepen, hoewel het bereik nog aanzienlijk vergroot zal moeten worden. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de noodzaak de kwaliteit van het werk van peuterleidsters te verhogen. Professionalisering van het werk van peuterleidsters is van cruciaal belang, aldus het Kabinet.

[Terug] [Omhoog]

Start Project Peuterspeelzalen VOG

Met ingang van 1 september is het tweejarige VOG project Peuterspeelzalen van start gegaan.

De VOG vindt dat het hoog tijd is om extra aandacht te besteden aan het peuterspeelzaalwerk. Het project zal zich - in het kort samengevat - vooral richten op het profileren en positioneren van het peuterspeelzaalwerk als zelfstandige, professionele werksoort binnen het lokaal jeugdbeleid. Daarbij gaat het in eerste instantie om de erkenning van de basisfunctie die peuterspeelzalen vervullen. De noodzakelijke randvoorwaarden worden bekeken, die ertoe moeten leiden dat de infrastructuur van het peuterspeelzaalwerk op lokaal niveau wordt verstevigd . Het projectplan is in nauwe samenwerking met het Landelijk Platform Peuterspeelzalen gemaakt en richt zich op het gehele werkveld. Subsidie voor het project is afkomstig van het Ministerie van VWS.

Via projectnieuwsbrieven zal het werkveld op de hoogte gehouden worden over de verdere invulling en voortgang van het project.

[Terug] [Omhoog]

Uit de begroting van OC&W

Voor- en vroegschoolse educatie, Doelstelling

Het doel van "voor- en vroegschoolse educatie" (vve) is de deelname van jonge kinderen aan kwalitatief hoogwaardige vve-programma's te vergroten. Het komende jaar wordt extra geïnvesteerd in de voor- en vroegschoolse educatie voor allochtone en autochtone kinderen van twee tot vijf jaar oud met een aanzienlijke (taal)achterstand. In de rijksbegroting 2000 is structureel een jaarlijks bedrag van f 20 miljoen beschikbaar gesteld voor voor en vroegschoolse educatie. Daaraan is in de voorjaarsnota jaarlijks f 40 miljoen toegevoegd. In de rijksbegroting 2001 is nogmaals een jaarlijks bedrag van f 40 miljoen beschikbaar gesteld voor vve. Hiermee komt het jaarlijkse budget voor vve per 2001 op f 100 miljoen.

[Terug] [Omhoog]

Reactie VNG op Onderwijskansenplan

(Citaat brief VNG aan de Vaste Tweede Kamercommissies voor OC&W en VWS dd 14 juni 2000)

"Een tweede punt dat wellicht enige toelichting behoeft betreft de verantwoordelijkheid voor het realiseren van een kwantitatief en kwalitatief voldoende niveau van peuterspeelzalen in Nederland. Beleidsmatig zijn peuterspeelzalen sinds 1987 (welzijnswet) de verantwoordelijkheid van gemeenten. De eisen die de laatste jaren aan peuterspeelzalen gesteld worden zijn echter van een totaal andere orde dan de eisen die in 1987 werden gesteld. Een recent voorbeeld hiervan is het onderbrengen van de peuterspeelzalen bij de CAO-welzijn. Hoewel wij deze maatregel op beleidsmatige gronden verwelkomen heeft dit geleid tot een generieke kostenverhoging voor deze sector van ongeveer 10%, die op geen enkele manier is gecompenseerd. De eisen die aan peuterspeelzalen gesteld worden in het kader van de beoogde sluitende aanpak, gaan echter nog veel verder. Daartoe zal het peuterspeelzaalwerk verder geprofessionaliseerd moeten worden. Gemeenten kunnen daarvoor - financieel gezien - niet uitsluitend verantwoordelijk worden geacht. Ook het rijk heeft daarin medeverantwoordelijkheid. Om die reden hebben wij voorgesteld een regeling te maken waarin alle resultaten worden benoemd die moeten worden behaald om de sluitende aanpak te realiseren en voor dit geheel uit te gaan van grosso modo een fifty-fifty inzet van rijk en gemeenten. Daarmee worden uitzichtloze discussies over de vraag wie precies waarvoor financieel verantwoordelijk moet worden geacht, voorkomen en wordt de gezamenlijkheid benadrukt.

De omvang van de financiële middelen die uiteindelijk nodig zullen zijn om de doelstellingen van de sluitende aanpak 0 tot 6 jaar te bereiken, moet nog bepaald worden op grond van keuzen die bij voorbeeld nog moeten worden gemaakt over:

  • de hoogte van de al dan niet wettelijk geregelde ouderbijdragen in het peuterspeelzaalwerk;
  • het aantal kinderen dat een taal- en ontwikkelingsprogramma moet kunnen worden aangeboden;
  • de resultaten die door de consultatiebureaus moeten worden behaald en de financiering die in algemene zin met de ouder- en kindzorg gemoeid is".
[Terug] [Omhoog]

Peuterspeelzalen binnen organisaties voor kinderopvang

Voor peuterspeelzalen die onder een grotere organisatie van kinderopvang vallen kan dispensatie van de CAO Welzijn worden aangevraagd. Hierdoor kunnen zij ook onder de CAO kinderopvang vallen. Dit betekent tot nu toe volgens de VOG óók, dat zij aan dezelfde eisen qua leidster-kindratio moeten voldoen als de kinderopvangleidsters.

[Terug] [Omhoog]

LPP enquête en actualisering gegevens

Bij de vorige Nieuwsbrief trof de lezer een vragenformulier aan. Een groot aantal organisaties hebben het formulier ingevuld geretourneerd. Een aantal organisaties zijn daar waarschijnlijk nog niet aan toegekomen. Op deze pagina van deze Nieuwsbrief wordt nogmaals gevraagd het ingevulde formulier alsnog op te sturen.

De tot nu toe meest genoemde antwoorden op de vraag waar het LPP volgens de lezers van de Nieuwsbrief aandacht aan moeten schenken:

  • verbetering financiële positie peuterspeelzalen;
  • realisering management - uren / leidinggevend kader ("als bestuur kunnen we het niet meer aan");
  • opnemen directie- en leidinggevende functies in de cao;
  • eenduidigheid leidster - kindratio;
  • ontwikkeling specifieke kwaliteitseisen peuterspeelzalen;
  • het aan de politiek duidelijk maken wat we doen;
  • deskundigheidsbevordering (VVE);
  • een landelijke regeling peuterspeelzaalwerk is hard nodig;
  • samenwerkingsmogelijkheden met het basisonderwijs;
  • het informeren van gemeenten;
  • huisvesting peuterspeelzalen;
  • mogelijkheid voor peuterspeelzalen om lid te worden van de VOG. Lidmaatschap is voor veel peuterspeelzalen onbetaalbaar;
  • algemene normeringen hard nodig.

Nog enkele overige reacties:

  • Stichting Peuterspeelzalen Smallingerland (15 peuterspeelzalen):
    "Alle zaken die bij onze stichting 'hoog op de agenda staan' worden al prima door het LPP opgepakt / aandacht aan besteed. Wij zijn als stichting bezig met 'de grote sprong voorwaarts' d.w.z.. positionering, professionalisering. Kwaliteit !! en alleen betaalde leidsters".
  • Stichting Peuterspeelzalen Achterkarspel (9 peuterspeelzalen):
    "Hoewel er veel (terecht) aandacht is voor 'plus functies' wordt er vaak te weinig aandacht geschonken aan de basisvoorwaarden."
  • Stichting Peuterspeelzalen Gemeente Delfzijl (11 peuterspeelzalen):
    "Wij willen heel graag certificeren, probleem is dat we onvoldoende uit de voeten kunnen met de "Hand leiding kwaliteitsstelsel Kinderopvang."
  • Stichting Kinderspeelzalen Weesp (1 speelzaal):
    "Mogelijkheid voor peuterspeelzalen om lid te worden van de VOG. Lidmaatschap is voor ons helaas onbetaalbaar."
  • Stichting Welzijn Velsen (15 peuterspeelzalen):
    "Doorgaan met de onderwerpen die aan de orde kwamen in de vorige Nieuwsbrief."
  • Stichting Kinderspeelzalen gemeente Bunnik (3 peuterspeelzalen):
    "Wij zijn zéér tevreden met de Nieuwsbrief."
  • Stichting Peuterspeelzalen Alkemade ("de Mannoef"):
    "Succes met jullie werk. Ga zo door. Langzaam komt de erkenning."
  • Stichting Kinderspeelzalen Voorschoten (6 peuterspeelzalen):
    "Zelfstandig kunnen blijven van peuterspeelzalen, dus niet worden opgeslokt door de kinderopvang."
  • Stichting Welzijn en Vluchtelingenwerk Winsum (5 peuterspeelzalen):
    "Ga zo door."
[Terug] [Omhoog]