Nieuwsbrief nummer 9, oktober 2001

Algemene ontwikkelingen

VOG presenteert kernopdracht en functie van het peuterspeelzaalwerk

De VOG (werkgeversorganisatie) presenteerde on-langs in een brief aan staatssecretaris Vliegenthart haar visie over de toekomstige positionering van het peuterspeelzaalwerk binnen het lokaal jeugdbeleid. De visie zal op 8 november 2001 in een beleids-document door de VOG officieel worden gepresenteerd. De visie is in nauwe samenspraak met de sector Peuterspeelzaalwerk tot stand gekomen. E.e.a. geschiedde door middel van 12 provinciale discussiebijeenkomsten. Aan deze bijeenkomsten hebben 210 organisaties voor peuterspeelzaalwerk (gezamenlijk verantwoordelijk voor 1.200 peuterspeelzalen) deelgenomen.

LPP blij met formulering VOG en maakt dat kenbaar aan de Staatssecretaris.

Via een brief liet het LPP op 30 augustus jl. staatssecretaris Vliegenthart weten zich in de door de VOG gepresenteerde visie te kunnen vinden. Het LPP stelde in de genoemde brief verder onder andere dat tijdens de 4 jaar dat het LPP bestaat het steeds weer duidelijk wordt dat de wijze waarop het peuterspeelzaalwerk wordt uitgevoerd en is georganiseerd uiterst divers is. Hierdoor is er sprake van extreem grote verschillen tussen gemeenten. Het LPP gaf verder aan dat de afgelopen jaren is gebleken dat het werkveld (voor het overgrote deel) zich zelf niet ziet als een onderdeel van de sector kinderopvang. "De peuterspeelzaal is onder de bevolking een zeer populaire voorziening en is dat ondanks de uitbreiding van de kinderopvang ook gebleven". Het peuterspeelzaalwerk heeft een bereik van tussen de 50 % en 70 %. Het LPP benadrukte dat de roep om wettelijk verankerde basiskwaliteitseisen bij zowel instellingen als gemeenten groot is. Het LPP gaf daarbij het belang aan van het specifiek voor de sector peuterspeelzaalwerk onderbrengen van deze kwaliteitseisen in een eigen Algemene Maatregel van Bestuur, waarbij voorkeur van het LPP hierbij uitgaat uit naar een AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur) als onderdeel van de Welzijnswet. Een en ander in samenhang met een tijdelijke stimuleringsmaatregel, die na beëindiging wordt ondergebracht als algemene uitkering aan het Gemeentefonds.

Steeds meer organisaties voor peuterspeelzaalwerk in de financiële problemen? Een oproep aan alle organisaties die peuterspeelzaalwerk uitvoeren.

De afgelopen jaren werd de sector peuterspeel-zaalwerk geconfronteerd met de financiële gevolgen een eigen salarisregeling en een fikse inhaalslag voor wat betreft de lonen. Het LPP is benieuwd in hoeverre gemeenten in het algemeen op deze kostenstijgingen hebben gereageerd en vraagt de achterban dan ook het LPP hierover te willen informeren. Wie is er nu in financiële problemen of verwacht dat op korte termijn te geraken.

Presentatie visiedocument Peuterspeelzaalwerk wordt op 8 november

Het VOG-project 'Sterk Peuterspeelzaalwerk' houdt op 8 november a.s. een landelijke bijeenkomst over de toekomst van het peuterspeelzaalwerk in Nede-rland. De bijeenkomst start in het heden met een presentatie van de resultaten van het landelijk onderzoek Peuterspeelzaalwerk in Nederland: de huidige praktijk. Dit onderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. Het project 'Sterk Peuterspeelzaalwerk' heeft de afgelopen maanden landelijk met ruim 200 organisaties, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het peuterspeelzaalwerk, een dicussie gevoerd over de kernopdracht en de functies van het peuterspeel-zaalwerk. Het resultaat van deze discussie is gebundeld in het visiedocument 'Peuterspeelzaalwerk in de 21ste eeuw'. Tijdens de bijeenkomst wordt het visiedocument gepresenteerd en overhan-digd aan het ministerie van VWS.

Datum : 8 november 2001
Tijd : 13.30 - 17.00 uur
Plaats : Vergader- en zalencentrum VREDENBURG, Vredenburg 19 te Utrecht

Informatie over deze bijeenkomst: VOG-project Sterk Peuterspeelzaalwerk, Postbus 3332, 3502 GH Utrecht, Wendy van Krieken, telefoon 030 - 298 34 39 of e-mail: krieken@vog.nl

Arbo - convenant ook voor peuterspeelzalen

De Arbeidsomstandighedenwet verplicht de werkgever arbeidsomstandighedenbeleid te voeren. Uit deze wet voortvloeiend dient er beleid gevoerd te worden t.a.v. ergonomische aspecten in het peuterspeelzaalwerk. Het arbo-convenant 'Kinder-opvang' is inmiddels uitgebreid met afspraken over fysieke belasting in peuterspeelzalen. De afspraken zijn door de convenantpartijen (werkgeversorgani-satie, werknemersorganisaties en de Staatssecre-tarissen van VWS en SZA) ondertekend en gepu-bliceerd in de Staatscourant 2000, nr. 5 / pag. 11 3.

'Werkconferentie VWS over de toekomst van het peuterspeelzaalwerk, 26 juni 2001'.

Deze werkconferentie werd georganiseerd door de Directie Jeugdbeleid van VWS. E.e.a. met het oog op de in het najaar van 2001 te verschijnen beleidsbrief over de positionering en de toekomst van het peuterspeelzaalwerk. VWS wilde de ideevorming rond de inhoud van die beleidsbrief in directe samenwerking met alle betrokken partijen plaats laten vinden. Daartoe werd dus een werkconferentie georganiseerd door de directie Jeugdbeleid van het ministerie VWS. Aan de werkconferentie namen vertegenwoordigers uit het veld, sociale partners, steden, wetenschap en het Rijk deel. Doel van de conferentie was:

  1. de wenselijke richtingen (functie) van het peuterspeelzaalwerk in het algemeen in beeld krijgen
  2. de begrippen kwaliteit en toegankelijkheid in het bijzonder invulling te geven.

De input uit de werkconferentie wordt gebruikt bij het totstandbrengen van de beleidsbrief.

Aanvullende regeling uitbreiding VVE 13 juli 2001

In de Rijksbegroting 2001 en bij de behandeling van de Voorjaarsnota zijn opnieuw extra middelen vrijgemaakt voor het bevorderen van een verdere uitbreiding en professionalisering van de voor- en vroegschoolse educatie in Nederlandse gemeenten.

Met de extra middelen wordt het mogelijk het aantal gemeenten uit te breiden dat in aanmerking komt voor VVE-middelen tot 318 gemeenten.

In de bijlage van de regeling is een overzicht opgenomen van de extra middelen die gemeenten ontvangen. Deze regeling is op 1 augustus 2001 in werking getreden.

De regeling is gepubliceerd in Gele katern van Uitleg, 25j juli 2001, nr. 18a, Kenmerk: PO/OO-2001/28940. Zie ook de website van de makelaar VVE: www.vveducatie.nl (onder beleid).

'Grenzeloos leren', een verkenning naar onderwijs en onderzoek in 2010

Op 28 augustus 2001 heeft het kabinet het stuk 'Grenzeloos leren' gepubliceerd, ook wel 'De Verkenning Onderwijs en Onderzoek' genoemd.

In de Verkenning staat te lezen dat onderwijs en onderzoek de komende jaren voor grote uitdagingen staan. In de Verkenning geven minister Hermans en staatssecretaris Adelmund een overzicht van maat-regelen om deze uitdagingen het hoofd te bieden. Bij veel onderwerpen geven zij echter niet één oplossing, maar schetsen zij meerdere alternatieve mogelijkheden en maatregelen. Samenleving en kabinet zullen hieruit, aldus de minister en de staatssecretaris, een keuze moeten maken. In de verkenning wordt ook geconstateerd dat er steeds meer aandacht voor educatie van 0 - 4 jarigen. Vanuit het Ministerie van OC&W wordt geconstateerd dat het grote belang van goede voorschoolse educatie verdergaande maatregelen rechtvaardigen. Er worden ten aanzien van de voorschoolse educatie drie opties gegeven (zie ook verderop in de Nieuwsbrief bij "Moet er een 'voor- klas' komen in het basisonderwijs?" ).

LPP deelnemer aan Jeugdoverleg

Op 12 september jl gaf staatssecretaris Vliegenthart het startsein voor het Jeugdoverleg. Het jeugdoverleg is de opvolger van het Gestructureerd Overleg Jeugdbeleid (GOJ). Dat overleg heeft van 1998 tot 2001 als overleg orgaan gefunctioneerd van alle betrokken partijen bij het Jeugdbeleid met als doel de samenhang in het Jeugdbeleid te bevorderen. Het LPP is deelnemer aan dat periodieke overleg.

Noord-Holland: Peuterspeelzalen in beeld

In het kader van het project 'Profilering, Positionering, Professionalisering' constateerde IMCO, de Noord Hollandse provinciale steunfuctieorganisatie, dat peuterspeelzalen behoefte hebben aan informatie over de manier van werken. Want voor tal van zaken zijn voor de werksoort geen algemeen geldende normen of richtlijnen vastgesteld. Ook gemeenten hebben behoefte aan informatie om hun beleid ten aanzien van het speelzaalwerk verder te ontwikkelen.

Om beter inzicht te krijgen in de huidige praktijk heeft IMCO in het najaar van 2000 een inventarisatie gehouden onder de speelzalen in Noord-Holland. Het verslag van deze inventarisatie geeft een goed beeld van verschillende onderwerpen zoals de gemiddelde groepsgrootte, aantal leidsters, overhead, wachtlijsten, bereik, ouderbijdrage en subsidie. Ook worden samenwerking, specifieke projecten en een aantal aspecten van kwaliteit in beeld gebracht.

'Peuterspeelzalen in beeld', IMCO Purmerend, f 12,50. IMCO, telefoon (0299) 41 87 00, e-mail: informatiepunt@imco-nh.nl, Peuterspeelzalen: we krijgen te weinig aandacht en te weinig geld, ABVAKABO-persbericht.

In opdracht van ABVAKABO FNV zijn twee onderzoeken uitgevoerd naar de voortgang van de professionalisering binnen de peuterspeelzalen. In de regios Zuidoost Brabant en Zuid-Limburg onderzochten studenten van hogescholen de situatie in 43 peuterspeelzalen in relatie tot de betrokken gemeenten. De onderzoeken bevestigen het beeld dat ABVAKABO FNV heeft van de peuterspeelzalen in ons land; er is te weinig aandacht voor de speelzalen en er wordt te weinig geld beschikbaar gesteld.

Een paar cijfers uit de onderzoeken: In 60 procent van de peuterspeelzalen werken twee leidsters waarvan er één betaald wordt en de ander vrijwillig werkt. Tevens bevinden zich in die groepen meer dan 14 kinderen. De norm in de Kinderopvang is 2 leidsters op 14 kinderen van 2 en 3 jaar. In Limburg vindt 80 procent van de onderzochte peute-rspeelzalen dat de overheid onvoldoende aandacht heeft voor het peuterspeelzaalwerk. Daarnaast geeft de helft van de ondervraagden aan 'niet voldoende' financiële middelen te ontvangen om de organisatie professioneel in te richten. 39 procent vindt het zelfs 'veel te weinig'. Driekwart van de onderzochte speelzalen in Brabant vindt dat de invloed van het gemeentelijk beleid op het peuter-speelzaalwerk zeer groot is. In 22 procent van de gevallen wordt aangegeven dat er geen subsidie wordt ontvangen. In 75 procent van de peuter-speelzalen vindt men de subsidie een onzekere factor en een beperking in de manier van werken.

Meer Informatie: Ger Dragstra, bestuurder Welzijnswerk, 06-51218382


Organisaties voor peuterspeelzaalwerk steeds vaker speelbal van lokaal beleid

Op 22 september 2001 besteedde het Dagblad Trouw in een artikel van H. Lakmaker onder de titel 'De groeistuipen van de peuterspeelzaal' aandacht aan de problemen in het peuterspeelzaalwerk. Aanleiding voor dit artikel waren de (financiële) problemen bij het peuterspeelzaalwerk in Den Bosch). De Bossche stichting voor peuterspeelzaalwerk ging in de zomervakantie failliet. Het peuterspeelzaalwerk is in den Bosch inmiddels ondergebracht bij een nieuwe organisatie voor peuterspeelzaalwerk. Deze organisatie is ontstaan vanuit een samenwerkingsverband van de organisaties voor basisonderwijs in Den Bosch.

In Eindhoven verdween vorig jaar ook de Stichting Peuterspeelzalen Eindhoven. In Eindhoven werd het peuterspeelzaalwerk onder gebracht bij de stedelijke organisatie voor het welzijnswerk.

In toenemende mate worden gemeenten geconfronteerd met de niet altijd riante lokale infrastructuur rond het peuterspeelzaalwerk.


Het LPP bekende fusies binnen het peuterspeelzaalwerk in de afgelopen jaren

Veel gemeenten kiezen voor een samenbundeling van het peuterspeelzaalwerk binnen één specifieke organisatie voor peuterspeelzaalwerk. Enkele voorbeelden:

  • 1 januari 1997 de stichting Peuterspeelzalen Oss;
  • 1 janauri 1997 stichting Peuterspeelzaalwerk de ronde Venen (Mijdrecht);
  • 1 januari 1999: de stedelijke peuterspeelzaal stichting (STEPS) in Maastricht;
  • 1 januari 1999: stichting Peuterspeelzalen gemeente Boxmeer;
  • 1 januari 1999: de stichting Peuterspeelzaalwerk Oosterhout;
  • 1 januari 2000: de stichting Peuterspeelzalen Roosendaal (Roosendaal);
  • 1 januari 2000: de Stichting Coördinatie Peuterspeelzalen de Bilt (de Bilt e.o.);
  • 1 januari 2001 de stichting Peuterspeelzalen Born (Born);
  • per 1 januari 2001 de stichting Skastterlân (Joure)

Verder ontstonden de afgelopen jaren de Stichting Peuterspeelzalen Westerveld, de stichting Peuterspeelzalen Meppel, de stichting Peuterspeelzalen Achterkarspelen; Vereniging Peuterspeelzalen Zaltbommel, Stichting Peuterspeelzalen gemeente Bellingwedde, Centraal Orgaan Peuterspeelzalen Groningen, Federatie Peuterspeelzaalwerk Heerlen, stichting Peuterspeelzalen Oisterwijk; stichting Peuterspeelzalen Waalwijk, stichting Peuterspeelzalen gemeente Raalte, stichting Peuterspeelzalen Hoogvliet.


Werkconferentie VWS over de toekomst van het peuterspeelzaalwerk (26 juni 2001)

Aan de werkconferentie namen deel: diverse beleidsmedewerkers van VWS, het ministerie van OC&W, de VOG (werkgevers), de VNG Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de ABVA/KABO (werknemers), het IPK 9interprovinciaal Platform Kinderopvang), het NIZW (Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn), een kindercentrum (Lelystad) , enkele gemeenten en het LPP.

Het was opvallend dat de relatie kinderopvang - peuterspeelzaalwerk tijdens de werkconferentie geen punt van aandacht is geweest. Alle deelnemers waren het er over eens dat peuterspeelzaalwerk geen vorm van kinderopvang is. Benadrukt werd verder wederom dat er een landelijk gedragen kader/visie ontwikkeld zou moeten worden met betrekking tot de meerwaarde van het peuterspeelzaalwerk voor kinderen.


ARBO - convenant Peuterspeelzalen

In het najaar van 1995 nodigde de Arbeidsinspectie sociale partners uit voor overleg. Reden hiervoor was dat de Arbeidsinspectie, op basis van eigen onderzoek en onderzoek door TNO tot de conclusie was gekomen dat het noodzakelijk was om de fysieke belasting in de kinderopvang terug te dringen. Dit werd bevestigd door een onderzoek dat het toenmalige NIA in opdracht van sociale partners heeft uitgevoerd naar arbo-risico's in de sector. Als resultaat van dit overleg is op 11 december 1997 door de werkgeversorganisatie VOG, de vakbonden CFO CNV-bond en ABVAKABO FNV en de Arbeidsinspectie (als uitvoerende dienst van het ministerie van SZW) een brancheovereenkomst getekend waarin afspraken zijn vastgelegd met als doel de fysieke belasting in de kinderopvang terug te dringen. De brancheovereenkomst heeft betrekking op hele en halve dagopvang van kinderen van 0 tot 4 jaar, en buitenschoolse en naschoolse opvang voor kinderen tussen 4 en 12 jaar.

De betrokken partijen spraken toen de intentie uit dat binnen een jaar na aanvang het convenant aan te vullen met afspraken over fysieke belasting bij peuterspeelzalen. Op basis van onderzoek naar de toepasbaarheid en zo nodig aanpassing van de normen voor peuterspeelzalen zullen door partijen afspraken gemaakt worden over de implementatie en de handhaving van die (eventueel aangepaste) normen. Nadat dit onderzoek was afgerond, vormden de resultaten hiervan voor de betrokken partijen een aanleiding om het convenant aan te vullen met afspraken over peuterspeelzalen in de vorm van een addendum. In 2005 dienen alle peuterspeelzalen aan de normen te voldoen. De uitvoering van het convenant is ondergebracht bij Sectorfonds Welzijn.

Momenteel is de nulmeting in de kinderopvang zo goed als afgerond. Op basis van de resultaten stelt de BrancheBegeleidingsCommissie (BBC) jaarlijkse streefdoelen vast voor het aantal organisaties dat moet voldoen aan de normen. Later volgt een tussen- en eindmeting. Wat betreft peuterspeelzalen geeft het eerder genoemde onderzoek een goed beeld van de huidige stand van zaken met betrekking tot fysieke belasting in peuterspeelzalen. Dit onderzoek kan als nulmeting beschouwd worden in een monitoring-cyclus. Later volgt eveneens een tussen- en eindmeting.

Voor de kinderopvang zijn brochures ontwikkeld 'Ergonomie in de kinderopvang', 'Koopwijzer voor meubilair in de kinderopvang' en 'De meest gestelde vragen over hoogzitten'. Voor peuterspeelzalen zal een speciale versie 'Ergonomie in peuterspeelzalen' gemaakt worden. Omdat peuterspeelzalen nog aan het begin van een professionaliseringsproces staan, zullen extra middelen nodig zijn voor voorlichting en het creëren van draagvlak.

Een belangrijke voorwaarde voor het terugdringen van fysieke belasting is een verantwoorde inrichting van de werkplek. Sociale partners hebben gedurende het jaar 2000 overheidsmiddelen beschikbaar gesteld voor een stimuleringsregeling voor de kinderopvang. Werkgevers konden dan onder voorwaarden een tegemoetkoming ontvangen voor de aanschaf van ergonomisch meubilair. Een soort gelijke regeling is voor het jaar 2001 voor de peuterspeelzalen afgekondigd (zie verder www.arbo-peuterspeelzalen.nl.).


Het Jeugdoverleg

Uitgangspunt bij het Jeugdoverleg zijn: continuïteit, flexibiliteit en maatwerk. Het doel van het Jeugdoverleg is: samenhang in het jeugdbeleid. Hetgeen, aldus het Ministerie van VWS betekent: "met elkaar gemeenschappelijk investeren in gemeenschappelijkheid, afstemming en samenwerking om via welke instrumenten dan ook bij te dragen aan een sterke maatschappelijke positie van kinderen en jongeren, hun ontwikkelings- en ontplooiingskansen, hun participatie in de samenleving en de aanpak van hun problemen. Niet verkokerd, niet ad hoc, niet alleen via vergaderingen, maar gezamenlijk, met open communicatie, resultaatgericht en via creatieve debatten, overleggen en evenementen. Sleutelbegrippen daarbij zijn:

  • Maken van bestuurlijke afspraken voor de sector.
  • (Vroeg)tijdig signaleren vna kansen, knelpunten en oplossingenrichtingen bij de uitvoering van het jeugdbeleid).
  • Signaleren van ontwikkelingen en trends.
  • Bevorderen van de kwaliteit vna het beleid.
  • Uitwisselen van informatie.
  • Creëren van draagvlak voor nieuw beleid".

Het Jeugdoverleg is opgesplitst in een sectoroverleg en een bestuurlijk overleg. Het LPP neemt, op uitnodiging van VWS, deel aan het sectoroverleg. Het sectoroverleg is, aldus VWS, een creatief en doelgericht overlegforum van het rijk met andere overheden en maatschappelijke (koepel)organisaties, die betrokken zijn bij het jeugdbeleid. De directeur Jeugdbeleid van VWS is voorzitter. Afhankelijk van de soort bijeenkomst (debat, overleg, evenement) en de agenda zulle deelnemers van de drie overheden en maatschappelijke organisaties worden uitgenodigd. Het sectoroverleg heeft een brede signaal- en adviesfunctie en is oplossingsgericht. Het richt zich ook op de praktische vormgeving van de de samenhang in het jeugdbeleid. De bijeenkomsten kunnen verschillend van karakter zijn: debatten, overleggen en evenementen. Ze bieden ruimte voor visieontwikkeling, beschouwing, inhoudelijke verdieping, informatie-uitwisseling en levendige discussie. Het is de bedoeling dat alle partijen een inbreng voor het programma leveren.

Het bestuurlijk overleg is een overlegforum van de overheden: rijk, provincies en gemeenten onder voorzitterschap van de Staatssecretaris van VWS. Deelnemers zijn bestuursters van de overheden. Welke dat zijn is afhankelijk van de agenda. Per bijeenkomst zal de meest doelgerichte samenstelling worden gekozen. Het bestuurlijk overleg speelt in op knelpunten en problemen in het jeugdbeleid, geeft stimulansen ter realisering van samenhang daarin, bespreekt beleidsvoorstellen, halt knopen door en maakt afspraken. Het bestuurders van andere partijen uitnodigen voor de overleggen.


Moet er een 'voorklas' komen in het basisonderwijs?

In 'Grenzeloos leren' (een Verkenning naar onderwijs en onderzoek) wordt geconcludeerd dat de voorschoolse educatie van peuters en kleuters veel meer aandacht verdient, dan nu het geval is. Minister Hermans en staatssecretaris Adelmund vragen zich af, of het misschien niet veel effectiever zou zijn het beleid voor deze groep onder te brengen bij één ministerie. Geconstateerd wordt dat momenteel de kwaliteit, doelmatigheid en toegankelijkheid van de voorschoolse educatie te wensen overlaat. Dat moet dus beter. Het grote belang van goede voorschoolse educatie rechtvaardigt stevige ingrepen, aldus de Verkenning. De Verkenning geeft daarvoor drie opties:

  • het huidige systeem wordt gehandhaafd, maar de knelpunten worden weggewerkt. Dat kan door beter te verwijzen, door de programma's uit te breiden en verbeteren, en door een betere aansluiting met het basisonderwijs. De gemeente blijft de regie houden. OCenW en VWS stimuleren de vorming van brede scholen, breiden de capaciteit van peuterspeelzalen uit en verbeteren de kwaliteit van de speelzalen. Bovendien wordt de relevante regelgeving van beide departementen geharmoniseerd;
  • de voorschoolse educatie wordt ondergebracht bij het basisonderwijs. Scholen kunnen kinderen bijvoorbeeld vanaf drie jaar toelaten tot een 'voorklas'. De voorschoolse educatie kan in deze optie algemeen toegankelijk zijn of beperkt worden tot risicogroepen. Uiteraard moeten de scholen voldoende worden toegerust. Peuterspeelzalen kunnen bijvoorbeeld naar schoolbesturen worden overgeheveld;
  • de voorzieningen voor educatie, zorg en opvang voor alle kinderen tot zes jaar worden op het lokale niveau geïntegreerd. Op rijksniveau wordt deze lokale integratie weerspiegeld in één departement voor onderwijs en jeugd. Dit leidt tot eenduidig beleid voor kwaliteit, toegankelijkheid, regelgeving en financiering.

Een ieder kan via internet aan deze discussie meedoen via www.onderwijsdebat.nl (website Ministerie OC&W).


Peuters in tel

Het LPP ontving van de Zeeuwse provinciale ondersteuningsorganisatie SCOOP de resultaten van het in beeld brengen van de stand van zaken in het peuterspeelzaalwerk in de provincie Zeeland (peildatum 1-1-2001). De resultaten werden in juni jl in een rapport onder de titel 'Peuters in tel' gepresenteerd. Hieronder enkele conclusies uit het rapport.

Zeeland telde op 1-1-2001, net als op 1-1-2000, 120 peuterspeelzalen. Driekwart van de peuterspeelzalen hanteert een aanmeldingsleeftijd van twee jaar. De groepsgrootte varieert sterk. De norm van 18 kinderen wordt relatief het frequents als norm gehanteerd. Bij 71 % van de peuterspeelzalen wordt gewerkt met een vaste ouderbijdrage. De vaste ouderbijdrage steeg in 2001 t.o.v. 2000 van fl. 531,51 naar fl. 561,09 per jaar. Sinds 1995 steeg de vaste ouderbijdrage per jaar continu gemiddeld met 5 %. Van alle Zeeuwse peuters (2 t/m 3 jaar) bezoekt 55,8 % van een peuterspeelzaal. Dat blijkt een fractiemeer dan in 2000. Het aantal peuters dat op een wachtlijst stond steeg in 2001 echter met 14% t.o.v. 2000. Van de peuters die een Zeeuwse peuterspeelzaal bezoeken is 4,2 % peuters met een anderstalige / tweetalige achtergrond.

Opvallend is dat het totale bedrag dat de 17 Zeeuwse gemeenten per 1-1-2001 voor het peuterspeelzaalwerk hebben begroot fl. 1,2 miljoen meer is dan per 1-1-2000 (fl. 5,5 miljoen in 2001 tegen fl. 4,3 miljoen in 2000).


De Peuterspeelzaal als Partner (Een bijdrage van Els Hoeffnagel lid LPP)

Op 21 september 2001 heb ik tijdens de Kindvakbeurs een workshop voor managementleden gehouden met als titel 'De peuterspeelzaal als partner'. Dit onderwerp heb ik gekozen omdat het naar mijn idee momenteel een hot item voor het management van de peuterspeelzalen is.

Na een beschrijving van de Nederlandse samenleving anno 2010 en de actuele landelijke ontwikkelingen, heb ik vervolgens de externe omgeving van de sector in kaart gebracht. Een peuterspeelzaal heeft te maken met ouders, de gemeente, het basisonderwijs, kinderopvang/buitenschoolse opvang, het sociaal cultureel werk, jeugdhulpverleningsinstellingen en jeugdzorginstellingen. Daarbij dient er bij de gemeente nog een onderverdeling te worden gemaakt naar ambtelijk, bestuurlijk en politiek niveau. Binnen het krachtenveld van deze uiterst complexe en wispelturige omgeving dient de peuterspeelzaal haar eigen doelstelling te kunnen realiseren en zich als partner te kunnen presenteren. Hoe doe je dat als niet-professionele, semi-professionele of professionele organisatie?

Voordat je als organisatie doelgericht naar buiten treedt, zal er eerst duidelijkheid binnen de organisatie moeten zijn. Een manier om intern deze duidelijkheid te scheppen is het doorlopen van het besluitvormingsproces 'analyse, diagnose, therapie, evaluatie'.

Een analyse geeft een antwoord op de vraag 'waar hebben we het eigenlijk over ?' Dit kan bereikt worden door middel van oriënteren, feiten verzamelen, een sterkte/zwakte-analyse uit te voeren en het abc-model toe te passen. In een sterkte/zwakte-analyse worden de sterke kanten, de zwakke kanten, de kansen en de bedreigingen van de organisatie in beeld gebracht. In het abc-model worden de vragen 'wat willen we', 'wat kunnen we', 'wat kan er' beantwoord en wordt de strategie 'wat, wie, hoe en wanneer' bepaald. Vervolgens kan de 'diagnose' gesteld worden: was is precies het probleem ? Als het probleem helder is kan de 'therapie' opgesteld worden: wat gaan we eraan doen en hoe voeren we het uit ? Er kan bijvoorbeeld een actieplan, een stappenplan, en/of een beleidsplan opgesteld worden, waarin duidelijk omschreven concrete doelen benoemd worden. Een belangrijk onderdeel van de uitvoering is de manier van onderhandelen. In een 12-tal punten heb ik getracht een aantal tips te geven c.q. valkuilen te noemen.

Na het uitvoeren van bijvoorbeeld een actieplan is het uiterst zinvol om op grond van een evaluatie vast te stellen of de gestelde doelen bereikt zijn. Zo niet, dan begint een nieuwe ronde 'analyse, diagnose, therapie en evaluatie'. Een van de onderwerpen die aan bod kwam was een zwakte/sterkte-analyse van de peuterspeelzaal. Het benoemen van de sterke en zwakke kanten van de organisatie vergt vooral moed. Het benoemen van de kansen en bedreigingen van de organisatie vergt vooral onderzoek.

Een aantal sterke kanten van de peuterspeelzaal kunnen zijn: het is een uniek produkt, er is sprake van een echt aanbod voor de ontwikkeling van 2- en 3-jarigen, de voorziening is laagdrempelig, er is hoog deelnamepercentage c.q. een groot bereik onder de kinderen, er is een beperkte 'concurrentie', het personeel is gedreven en gemotiveerd, enzovoort.

Een aantal zwakke kanten van de peuterspeelzaal kunnen zijn: er zijn te weinig financiële middelen, het opleidingsniveau van het personeel is niet op peil, het werken met vrijwilligers kan te vrijblijvend zijn en de continuïteit in gevaar brengen, er is een gebrekkige ondersteuningsstructuur, er is een gebrekkige administratieve organisatie, men is teveel intern gericht (overlevingsnoodzaak), er is een 'amateuristisch' bestuur, enzovoort.

Een aantal kansen voor de peuterspeelzaal kunnen zijn: de sector staat op de politieke agenda, in 2002 zijn er gemeenteraads- en Tweede Kamerverkiezingen, het deelnemen aan het GOA-beleid, het deelnemen aan de VVE-regeling, het deelnemen aan een Brede School, de extra toeleiding van peuters door consultatiebureaus, de mogelijkheden bij schaalvergroting, het BANS-akkoord inzake een integraal jeugdbeleid, de beleidsnotitie van staatssecretaris Vliegenthart waarin naar verwachting gepleit wordt voor een landelijk wettelijk beleidskader en een stimuleringsmaatregel voor de sector, enzovoort.

Een aantal bedreigingen voor de peuterspeelzaal kunnen zijn: men wordt niet serieus genomen, men wordt ingezet voor een ander doel van andere spelers in het veld, een faillissement, de huur van een accommodatie wordt opgezegd, een overname door een andere organisatie, enzovoort.

Een bijzonder aspect aan een sterkte/zwakte-analyse is dat een bedreiging een kans kan worden en omgekeerd. Dit heeft vervolgens consequenties voor de sterke en zwakke kanten van de organisatie. Bijvoorbeeld: Een overnamebedreiging kan ook een kans voor de organisatie worden. Een overname wordt namelijk meestal uitgevoerd door een 'sterkere organisatie'. De financiën worden structureel beter geregeld, het personeel kan mee gaan doen met een opleidingsbeleid, enzovoort. Een kans bij de gemeenteraadsverkiezingen kan een bedreiging worden, omdat de samenstelling van de gemeenteraad en het college van B&W ongunstig uitvalt. Eventuele overlevingsplannen waar de vorige gemeenteraad wel oren naar had, blijkt in de nieuwe gemeenteraad niet aan te slaan.

Hoe begin je als management aan een dergelijk traject ? In feite heel simpel. Ga met een aantal gemotiveerde mensen bij elkaar zitten, en probeer bij vraag 1 te beginnen: wat willen we met de peuterspeelzaal. Probeer dat punt op de horizon vast te stellen. Vervolgens kunnen de overige bovengenoemde vragen aan bod komen. Soms lukt het 'brainstormen' goed, soms wil het niet van de grond komen. Wat vaak helpt is het 'brainstormen' onder het genot van een drankje en een hapje te doen. Het bevordert de creativiteit en, wellicht nog belangrijker, het blijft leuk om dit werk te doen!


Nieuws uit het land

  • Peuterspeelzaal het Konijnenhol uit Tollebeek vierde op 29 juni jl haar 25 jarig bestaan. Langs deze weg alsnog een hartelijke felicitatie.
  • Op 5 oktober jl nam Joop Wielakker afscheid van SCOOP (provinciale ondersteuningsorganisatie Zeeland). Joop gaat na decennia van professionele inzet voor kinderen, jeugd en jongeren met vervroegd pensioen. Joop onderhield een goed contact met het LPP. Het LPP dankt Joop voor zijn betrokkenheid bij het peuterspeelzaalwerk in het algemeen en dat in Zeeland in het bijzonder.
  • Op 12 oktober vierde Peuterspeelgroep 'De Korenbloem' uit Velp (Stichting Vrije Peuterspeelgroepen Arnhem) haar 20 jarig bestaan. Ook voor de Korenbloem bij deze een hartelijke felicitatie.
  • Peuterspeelzaal 'De Schildpad' uit Dinxperlo betrok op 17 oktober jl een nieuwe accommodatie. Het LPP feliciteert hierbij alle betrokkenen en wensen 'de Schildpad veel succes in het nieuwe onderkomen.
  • De NBCL (Vereniging van Openbare Bibliotheken), ter ondersteuning van de projecten Boekenpret en Fantasia heeft een nieuwe website: www.boekenpret-fantasia.nl. Op de site vindt men oa achtergrondinformatie, nieuwtjes, een overzicht van beschikbare producten en van locaties waar de projecten al worden ingezet.