Nieuwsbrief 10, maart 2002

Algemene ontwikkelingen

Er komen landelijke kwaliteitsregels peuterspeelzalen

(Dit persbericht is op 18 januari 2002 door de Rijksvoorlichtingsdienst uitgebracht na afloop van de ministerraad)

Er komen op korte termijn landelijke regels voor de kwaliteit van de opvang in peuterspeelzalen. Die gaan over zaken als de inrichting van de ruimte voor de peuters, hygiëne, veiligheid, groepsgrootte, opleiding van personeel, de wijze van omgaan met peuters en inspraak van ouders. Het kabinet heeft hiertoe besloten op voorstel van staatssecretaris Vliegenthart van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Momenteel gelden er ook al regels, maar die kunnen per gemeente sterk afwijken. Peuterspeelzaalwerk is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Met de nieuwe regels worden de eisen aan peuterspeelzalen vergelijkbaar met die van kinderopvang voor 0 tot 4-jarigen.

Het kabinet heeft ook gesproken over de toekomst van de peuterspeelzalen en over de vraag of die op termijn onder de nieuwe Wet Basisvoorziening Kinderopvang (WBK) of onder onderwijswetgeving moeten vallen, of onderdeel blijven van het gemeentelijk jeugdbeleid. Hierover is nog geen beslissing genomen. Het kabinet vindt wel dat peuterspeelzalen voor alle inkomensgroepen toegankelijk moet blijven.

Het LPP blij met de komst van landelijke kwaliteitseisen

In Nieuwsbrief 8 (juni 2001) van het LPP stond al te lezen dat het volgens het LPP de hoogste tijd is voor het onderbrengen van kwaliteitseisen tbv het peuterspeelzaalwerk in een Algemene Maatregel van Bestuur (AmvB), inclusief een stimuleringsmaatregel Peuterspeelzaalwerk. Het LPP heeft deze opvatting vorig jaar ook kenbaar gemaakt aan staatssecretaris Vliegenthart. In een eerder stadium had het LPP de VOG al nadrukkelijk gevraagd deze mogelijkheid serieus mee te nemen in haar advies inzake de aangekondigde beleidsbrief Peuterspeelzaalwerk.

Het ziet er dus serieus naar uit dat die Algemene maatregel van Bestuur er gaat komen en nu de stimuleringsmaatregel nog. Uit de beleidsbrief kan worden opgemaakt dat een AmvB een voorloper is van een ander wettelijk kader. Het LPP staat klaar om vanuit de praktijk van alledag mee te werken aan de totstandkoming van de kwaliteitseisen, waar de praktijk van het peuterspeelzaalwerk mee uit de voeten kan.

Onderzoeksresultaten Regioplan bevestigen de grote diversiteit binnen het peuterspeelzaalwerk

Omdat het ministerie van VWS behoefte had aan een actueel, overkoepelend beeld van de huidige praktijk binnen het peuterspeelzaalwerk werd aan het onderzoeksbureau Regioplan Onderwijs en Arbeidsmarkt, medio 2000 de opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren dat een dergelijk beeld zou kunnen opleveren. Het ministerie had behoefte aan een dergelijk beeld vanuit de constatering dat de peuterleeftijd een belangrijke leeftijdsfase in de vorming van kinderen is en het peuterspeelzaalwerk daarbij een belangrijke rol speelt. Niet alleen als welzijnsvoorziening, maar ook als voorbereiding op de basisschool. Op veel peuterspeelzalen wordt daarom niet meer alleen gespeeld, de peuterspeelzalen hebben ook educatieve doelstellingen. Een andere belangrijke ontwikkeling is de totstandkoming van de Wet Basisvoorziening Kinderopvang (WBK). Vooruitlopend op deze wet wordt in de hoofdlijnennotitie WBK het toekomstig stelsel voor kinderopvang geschetst. Of aspecten van het peuterspeelzaalwerk binnen deze wet een plaats krijgen, is nog niet besloten. Daarvoor heeft het Ministerie van VWS onder meer betrouwbare informatie nodig over de huidige stand van zaken. Belangrijke thema's in dit kader zijn het aanbod, het personeelsbeleid en de financiering. Het LPP heeft destijds zitting gehad in de begeleidingscommissie van het onderzoek.

Kernopdracht en kerntaken vanuit de sector Peuterspeelzaalwerk zelf benoemd

De VOG (werkgeversorganisatie voor oa de sector Peuterspeelzaalwerk) presenteerde op 8 november 2001 het visiedocument 'Peuterspeelzaalwerk in de 21ste eeuw' . Het visiedocument, een product van het project 'Sterk Peuterspeelzaalwerk', is tot stand gekomen in nauwe samenspraak met 210 organisaties voor peuterspeelzaalwerk (gezamenlijk verantwoordelijk voor 1.200 peuterspeelzalen). E.e.a. geschiedde door middel van 12 provinciale discussiebijeenkomsten.

  • De VOG heet vanaf 1 januari 2002 MO-groep
  • Peuterspeelzaalwerk in de 21ste eeuw'. VOG-project 'Sterk Peuterspeelzaalwerk'. Utrecht, november 2001.

Stimuleringsmaatregel ergonomie Peuterspeelzalen 2002

Gaat het Peuterspeelzaalwerk hoogzitten of gaat het hoogzitten de sector" hoogzitten"? In Nieuwsbrief 9 werd reeds medegedeeld dat op basis van de Arbeidsomstandighedenwet er beleid gevoerd dient te worden t.a.v. ergonomische aspecten in het peuterspeelzaalwerk en dat het arbo-convenant 'Kinderopvang' was uitgebreid met afspraken over fysieke belasting in peuterspeelzalen. Het convenant werd gepubliceerd in de Staatscourant 2000, nr. 5 / pag. 11 3.

Congres Peuterspeelzaalwerk goed bezocht

Op 6 december 2001 vond het congres 'Peuterspeelzaalwerk 2001 - 2002' plaats in theater 'Aan de Parade' in 's Hertogenbosch. Het congres werd georganiseerd door Elsevier Bedrijfsinformatie. Het LPP was nauw betrokken bij de samenstelling van het programma. Onder de bezielende leiding van Edwin Rutten hielden zo'n 200 deelnemers zich een hele dag bezig met allerlei recente ontwikkelingen binnen het peuterspeelzaalwerk. Als eerste spreker schetste de voorzitter van het LPP Ton Biesta onder de titel 'Er is veel peuterspeelzaal-werk aan de winkel' de context waarin de ontwikkelingen m.b.t. het peuterspeelzaalwerk zich afspelen. Hij deed dat aan de hand van wat hij noemde de drie P's: Profilering; Positionering en Professionalisering.

[Terug] [Omhoog]

Beleidsbrief VWS

In het Kamerdebat over de hoofdlijnennota Wet basisvoorziening Kinderopvang (WBK) van 4 december 2000 is staatssecretaris gevraagd te onderzoeken of het mogelijk is het peuterspeelzaalwerk (op o.a. de onderdelen kwaliteit en toegankelijkheid) onder de werkingssfeer van de WBK te brengen. De beleidsbrief Peuterspeelzalen, die in januari jl door mw. Vliegenthart, mede namens staatssecretaris Adelmund van onderwijs, naar de 2e Kamer werd verzonden is het antwoord van de staatssecretaris op de vraag van de 2e Kamer. Het resultaat van het onderzoek van Regioplan werd als bijlage eveneens naar de 2e Kamer verzonden.

De beleidsbrief (die te downloaden is van www.minvws.nl) bevat o.a. de volgende conclusies / gegevens.

T.a.v. de huidige positie en ontwikkelingen (uit de beleidsbrief)

De huidige functie van het peuterspeelzaalwerk is recent gedefinieerd door de sector . Deze heeft de kernopdracht omschreven als: "het creëren van optimale ontwikkelkansen voor alle kinderen in de leeftijd van 2-4 jaar door het aanbieden van veelzijdige en passende speelmogelijkheden". Het verschil met kinderopvang is dat deze naast bovenstaande functie, tevens zorgt voor opvang, waardoor de combinatie arbeid en zorg mogelijk wordt gemaakt. Door de invoering van voor- en vroegschoolse educatie heeft de samenwerking van het peuterspeelzaalwerk met het basisonderwijs meer gestalte gekregen.

De peuterspeelzaal is een laagdrempelige voorziening die door ruim 60% van de 2-4 jarigen wordt bezocht en vervult een belangrijke rol in de ontwikkeling van het jonge kind. Tevens wordt in toenemende mate het belang onderkend van de rol van de peuterspeelzaal ter voorkoming en bestrijding van dreigende achterstanden, onder andere door de inzet van VVE-programma's (voor- en vroegschoolse educatie).

De peuterspeelzaal is, gelet op het grote bereik, een heel belangrijke schakel in de doorgaande ontwikkelingslijn voor kinderen. Daarom is het onderdeel van de afspraken die, in het kader van het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS), zijn gemaakt tussen Rijk, provincies en gemeenten over de versterking van het 0-6 jarigen beleid. Deze afspraken omvatten in ieder geval een actieve regievoering door gemeenten, kwantitatief en kwalitatief goed peuterspeelzaalwerk, taal- en ontwikkelingsprogramma's in de voor- en vroegschoolse periode en extra inzet van de consultatiebureaus, gericht op vroegtijdige signalering van ontwikkelingsachterstanden.

Ook in het Landelijk Beleidskader Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid (GOA) is vastgelegd dat het peuterspeelzaalwerk een essentiële schakel is in het opsporen en bestrijden van ontwikkelingsachterstanden en het bevorderen van de taalontwikkeling.

De huidige bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor het peuterspeelzaalwerk is gedecentraliseerd en ligt bij de gemeenten. Het toenemend belang dat aan peuterspeelzalen wordt toegekend roept vragen op omtrent de kwaliteit, het toezicht en de toegankelijkheid van het peuterspeelzaalwerk.

De staatssecretaris constateert dat er een draagvlak is voor het ontwikkelen van kwaliteitseisen. Naast de kwaliteit is, zo staat in de beleidsbrief te lezen, de toegankelijkheid een belangrijk aspect van het huidige peuterspeelzaalwerk. Het is van groot belang dat het peuterspeelzaalwerk toegankelijk is en blijft voor kinderen uit alle milieus.

In de beleidsbrief worden drie mogelijke toekomst modellen voor het peuterspeelzaalwerk geschetst (Uit de beleidsbrief):

In het debat over het peuterspeelzaalwerk is het mogelijk meerdere toekomstige visies of richtingen te onderscheiden. In de kabinetsverkenningen wordt een aantal scenario's voor toekomstig integraal jeugd- en onderwijsbeleid omschreven. In de onderhavige beleidsbrief wordt een drietal modellen uitgewerkt voor het peuterspeelzaalwerk. Evenals in de verkenningen hebben de modellen gemeenschappelijk, dat gepleit wordt voor een geïntegreerd voorzieningenaanbod voor jeugdigen. De bestuurlijke vormgeving van de modellen is verschillend. Bij elk van deze modellen moet een aantal praktische vraagstukken rondom kwaliteit, toezicht en toegankelijkheid worden uitgewerkt.

Het eerste model gaat uit van het versterken van de specifieke functie van het peuterspeelzaalwerk binnen het gemeentelijk beleid, dat medesturing biedt op het netwerk van lokale voorzieningen. Het uniformeren van de kwaliteit wordt hier wenselijk geacht, maar regie en verantwoordelijkheid blijven decentraal geregeld. De Welzijnswet 1994 blijft het wettelijke kader voor het peuterspeelzaalwerk. Kwaliteitsregels kunnen in een algemene maatregel van bestuur op grond van die wet worden gesteld.

Het tweede model gaat uit van het feit dat er overeenkomsten zijn tussen peuterspeelzaalwerk en kinderopvang (beide bieden opvang in groepsverband aan kinderen in de kwetsbare leeftijd tussen 2 en 4 jaar), waardoor een zelfde systematiek kan worden toegepast. De ordeningsprincipes uit de komende WBK zouden daarom ook voor het peuterspeelzaalwerk kunnen gelden. Dit betekent dat, behalve kwaliteitseisen, ook vraagfinanciering en (inkomensafhankelijke) tegemoetkomingen, die in de WBK worden voorgesteld, van toepassing zouden gaan worden op het nu nog aanbodgestuurde peuterspeelzaalwerk. Dit zal tot een andere positie en verantwoordelijkheid voor de gemeenten leiden. Het gaat hier dus om een model naar analogie van de WBK.

In beide modellen is het uitgangspunt samenhang met de onderwijsvoorzieningen, met het oog op effectieve inzet van VVE-programma's voor de doelgroep, zowel in peuterspeelzalen als in de kinderopvang.

Het derde model is gebaseerd op de Verkenning "Grenzeloos leren". Op dit moment vindt de verdere uitwerking van deze verkenning plaats. Dit model houdt in dat het peuterspeelzaalwerk onder verantwoordelijkheid van onderwijs valt.

De staatssecretaris sluit de beleidsbrief af met de volgenden aanbeveling:
Vooruitlopend op de besluitvorming over de positionering van het peuterspeelzaalwerk wordt een aantal acties ondernomen om tot versterking van het peuterspeelzaalwerk te komen. Het accent ligt daarbij op de instroom van nieuwe leid(st)ers. Met het sectorfonds Welzijn wordt onderzocht welke mogelijkheden er bestaan om arbeidsmarktactiviteiten te ontwikkelen voor het werven en de deskun-digheidsbevordering van peuterspeelzaalleid(st)ers.

Verder wordt gewerkt aan het beroepsprofiel voor peuterspeelzaalleidsters waarin met name gekeken wordt of aansluiting kan worden gevonden met de functies van onderwijsassistent en leidster kinderopvang.

Visiedocument Peuterspeelzaalwerk in de 21e eeuw, Utrecht 2001

[Terug] [Omhoog]

Onderzoeksresultaten Regioplan

Enkele conclusies uit het onderzoek:

Hoeveel peuterspeelzalen zijn er in Nederland?

Er zijn in Nederland ongeveer 1.800 organisaties voor peuterspeelzaalwerk, die gezamenlijk ongeveer 4.250 peuterspeelzalen beheren.

Wat voor organisatie voeren peuterspeelzaalwerk uit?

Er zijn vier soorten organisaties te onderscheiden die peuterspeelzaalwerk uitvoeren:

  • Zelfstandige organisatie voor peuterspeelzaalwerk 79%
  • Welzijnsorganisaties 8%
  • Organisatie voor kinderopvang 6%
  • Onderwijsinstellingen 7%

Hieruit blijkt dat het overgrote deel van het peuterspeelzaalwerk uitgevoerd wordt door zelfstandige organisaties voor peuterspeelzaalwerk.

Wat is het aandeel van iedere soort organisatie?

De zelfstandige organisaties voor peuterspeelzaalwerk verzorgen 60 % van het aanbod, de wel-zijnsorganisaties 22 %, de organisaties voor kinder-opvang 15 % de onderwijsinstellingen 3 %.

Wat is het bereik?

Van alle 2 - 4 jarigen gaat 50 tot 70 procent naar de peuterspeelzaal.

Hoe vaak gaan peuters gemiddeld per week naar een peuterspeelzaal?

Het overgrote deel van de peuters bezoekt de peuterspeelzaal niet meer dan 2 keer per week (85%).

Wat is zoal de leidster-kindratio?

Max. aantal kinderen per leidster:

< 7

kinderen

12%

7 - 8

kinderen

18%

9 - 13

kinderen

23%

14 - 15

kinderen

26%

16 - 19

kinderen

11%

> 19

kinderen

10%

Waarom doen ouders hun kinderen naar een peuterspeelzaal?

Ouders vinden in meerderheid dat de peuterspeelzaal er vooral is om kinderen met elkaar te leren spelen. Daarnaast vindt een groot deel van de ouders ook de educatieve functie van de peuterspeelzaal zeer belangrijk. De peuterspeelzaal wordt door ouders niet beschouwd als vorm van kinderopvang; die functie vinden de meesten het minst belangrijk. Toch werken van een kwart van de kinderen beide ouders terwijl hun kind op de peuterspeelzaal zit. Van ruim zestig procent van de kinderen werkt alleen de vader terwijl zij de peuterspeelzaal bezoeken. De meeste ouders maken óf gebruik van de peuterspeelzaal óf van dagopvang. Een vijfde van de ouders maakt zowel gebruik van de peuterspeelzaal als van de dagopvang.

Het gehele onderzoek is te downloaden van de website van het ministerie van vws: www.minvws.nl.

[Terug] [Omhoog]

Beleidsvisiedocument Peuterspeelzaalwerk

In het visiedocument wordt de kernopdracht van het peuterspeelzaalwerk als volgt geformuleerd: Het creëren van optimale ontwikkelingskansen voor alle kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar door het aanbieden van veelzijdige en passende speelmogelijkheden. Direct afgeleid van en voortvloeiend uit deze kernopdracht worden de volgende kerntaken benoemd:

  • Ontwikkelingsstimulering. Elke peuterspeelzaal heeft tot taak om de brede ontwikkeling van alle peuters te stimuleren. Dit heeft betrekking op zowel de motorische ontwikkeling, als op de sociale-, de emotionele- de cognitieve-, de creatieve- en de taalontwikkeling.
  • Volgen en signaleren. Elke peuterspeelzaal heeft tot taak ieder kind op een systematische, methodische wijze te volgen in zijn/haar ontwikkeling en welbevinden. En indien daarvoor aanleiding is, zorg te dragen voor een gerichte signalering.
  • Vormgeven doorgaande ontwikkelingslijn. Een peuterspeelzaal is schakel in de ontwikkelketen van kinderen en daarmee een essentiële partner in de uitvoering van lokaal jeugdbeleid.

In het verlengde van bovenstaande kernopdracht hebben peuterspeelzalen ten aanzien van ouders een opdracht op het gebied van afstemming, informatie-uitwisseling en overleg. Tevens vervullen peuterspeelzalen voor ouders een belangrijke "vraagbaakfunctie": het is een laagdrempelige voorziening waar opvoedingsuitwisseling plaatsvindt en een plek waar ouders diverse opvoedingsvragen en -problemen neerleggen. Een peuterspeelzaal heeft daarin een verwijzende opdracht en fungeert als intermediair bij het tot stand brengen van een opvoedingsondersteunend aanbod. Gerichte opvoedingsondersteuning is geen kernopdracht van het peuterspeelzaalwerk, maar dient door daarin gespecialiseerde voorzieningen uitgevoerd te worden.

Een peuterspeelzaal is geen voorziening voor "probleemkinderen", maar een algemene basisvoorziening waar alle kinderen evenredig en vrijwillig gebruik van moeten kunnen maken.

Definitie van de peuterspeelzaal: Een peuterspeelzaal is een ontwikkelingsgerichte preventieve basisvoorziening voor kinderen van 2 tot 4 jaar.

  • Ontwikkelingsgericht: omdat het bieden van optimale ontwikkelkansen, het stimuleren van een brede ontwikkeling centraal staat; spelen is leren en ontwikkelen.
  • Preventief: omdat een peuterspeelzaal een belangrijke bijdrage levert aan het voorkomen en tijdig signaleren van ontwikkelingsachterstanden en omdat een peuterspeelzaal zorg draagt voor een ononderbroken ontwikkelingslijn.
  • Basisvoorziening: om aan te geven dat een peuterspeelzaal in gelijke mate voor elk kind toegankelijk moet zijn.

Het visiedocument is te bestellen bij de MO-groep: Postbus 3332, 3502 GH Utrecht. Tel: 030 298 34 39

[Terug] [Omhoog]

Stimuleringsmaatregel Ergonomie Peuterspeelzalen 2002

Onlangs viel de 'Stimuleringsregeling Ergonomie Peuterspeelzalen 2002' met het aanbod "Wij betalen de helft van uw nieuwe meubilair" (in 2002!!!) bij alle speelzalen op de mat . De stimuleringsregel is een direct gevolg van het ARBO-convenant. Een geweldig aanbod. Tenminste als er in de begroting van dit jaar rekening is gehouden met de aanschaf van nieuw meubilair en er geld voor is gereserveerd. Voor veel organisaties voor peuterspeelzaalwerk is dat helaas niet het geval, dat geldt zeker voor eenpitters.

Het is verstandig om ondanks het feit dat er nu niet direct geld beschikbaar is, toch een aanvraag in te dienen want het is een eenmalig aanbod, dat alleen voor dit jaar geldt! Vervolgens moet men in de slag met de gemeentelijke subsidiegever.

Alle gemeenten zijn door het Sectorfonds op de hoogte gesteld van de nieuwe eisen waaraan nieuwe speelzalen direct en bestaande speelzalen voor 2005 aan moeten voldoen. De gemeenten weten inmiddels ook dat er door speelzalen geld aan te vragen is bij het Sectorfonds. Ook zij hebben dezelfde brochure ontvangen. Het is alleen jammer dat daarbij verzuimd is om de gemeenten duidelijk te maken dat het aanpassen van speelzalen aan de Arbo-regels extra geld kost; geld dat veel speelzalen niet in reserve hebben of binnen hun vaak krappe budget niet zomaar kunnen vrijmaken. Dus is het aan de speelzalen zelf om in de slag te gaan met de gemeente. Want soms blijken gemeenten gevoelig te zijn voor het argument dat als zij meebetalen andere fondsen ook geld geven. Gemeentelijke potjes zijn, als men het wil (het is per slot verkiezingstijd), altijd wel te vinden. En in sommige gevallen zal het ook mogelijk zijn via de gemeentelijke voorjaarsnota voor dit doel extra subsidie te krijgen. Helaas draaien ambtelijke molens veelal langzaam. Dus niet wachten op het fiat van de gemeente maar de aanvraag naar het Sectorfonds zo snel mogelijk opsturen. Want wie het eerst komt, wie het eerst maalt.

De uitvoering van het convenant baart het LPP grote zorgen. Het overgrote deel van het peuterspeelzaalwerk zal niet in staat zijn om binnen de gestelde tijd adequaat te reageren. Vervolgens lijkt het er op dat het convenant nog nauwelijks binnen de sector leeft. Hier komt nog bij dat als het gaat om 'hoogzitten' er nog nauwelijks of geen goed op het peuterspeelzaalwerk gericht meubilair is ontwikkeld. Het meubilair dat in de handel is, is ontwikkeld voor de kinderopvangsector en niet specifiek voor het peuterspeelzaalwerk. Vanuit werknemers- en werk-geversoptiek is het convenant tot stand gekomen. Het is dan ook de vraag of er wel voldoende is gekeken naar en rekening is gehouden met de inhoud van het werk, de bestaande huisvestingsmogelijkheden (het ontbreken van wettelijke vastgelegde normen), de verschillende groepsgrootten, het ontbreken van een eensluidende financieringssystematiek e.d.

Extra exemplaren van de stimuleringsmaatregel zijn te bestellen bij het sectorfonds Zorg en Welzijn, Postbus 9696, 3506 GR Utrecht.

[Terug] [Omhoog]

Congres Peuterspeelzaalwerk

Het gedeelte uit de inleiding van Ton Biesta over profilering, positionering en professionalisering: Ton Biesta stelde dat het peuterspeelzaalwerk zich jarenlang voor een groot gedeelte in de anonimiteit heeft afgespeeld. Toch is 'de peuterspeelzaal' een bij ouders populaire voorziening. Het succes van peuterspeelzalen is, volgens Ton Biesta, te danken aan uiterst gedreven, betrokken, bevlogen en enthousiaste leidsters en ouders. In veel gevallen vormen diezelfde ouders ook de besturen van peuterspeelzaalorganisaties. Net als de leidsters vertonen deze besturen vaak dezelfde grote betrokkenheid bij het wel en wee van een peuterspeelzaal. Bijna alle energie wordt gestoken in het draaien van de dagdelen en de overige dagelijkse beslommeringen, in en rond de speelzaal. Het ontbreekt leidsters en besturen vaak aan tijd, geld, affiniteit, kennis en ervaring om 'de zaak' naar buiten toe te verkopen. Van belangenbehartiging en profilering is nauwelijks sprake. Dit is dan ook, volgens Ton Biesta, een gedeeltelijke verklaring voor het zich in de anonimiteit afspelen van het peuterspeelzaalwerk. Tegelijkertijd hadden lokale politici en beleidsmakers weinig aandacht voor het peuterspeelzaalwerk.

En dan wordt de sector ineens geconfronteerd met veel aandacht van buiten. Anderen lijken ineens van alles te gaan vinden van en over peuterspeelzaalwerk. Bij het peuterspeelzaalwerk betrokkenen worden geconfronteerd met uitlatingen als: "Het onderscheid tussen kinderdagverblijven en peuterspeelzalen is kunstmatig", of "peuterspeelzalen worden door ouders gebruikt als goedkope oppas-voorziening". Er komt politieke belangstelling voor het peuterspeelzaalwerk. De ontwikkelingen volgen elkaar vervolgens in een kort tijdsbestek en in een hoog tempo op: er kwam een eigen salarisregeling voor het peuterspeelzaalwerk binnen de CAO welzijn; peuterspeelzalen worden ineens interessant als het gaat om te fungeren als middel in onderwijsachterstandbestrijding; gemeenten gaan aan de slag met het formuleren van integraal jeugdbeleid; de term 'doorgaande ontwikkelingslijn' komt steeds vaker bovendrijven; er worden overdrachtsprocedures peuterspeelzaal - onderbouw van het basisonderwijs ontwikkeld; de term VVE (voor- en vroegschoolse educatie) doet haar intrede; dan is er het Bansakkoord (waarbij de 3 overheden afspraken maakten om te investeren in voorzieningen voor de leeftijdscategorie 0 - 6 jaar en niet alleen maar te focussen op problemen); er moet meer worden samengewerkt; er moet aan schaalvergroting worden gedaan; Bredeschool, Vensterschool, voorklas, voorschool; Pedagogische Vernieuwing; Verkenning onderwijs en onderzoek 2010 (ministerie van OC&W); een convenant ergonomie in de peuterspeelzalen; enz. enz.

Ondertussen gaat het dagelijkse werk "gewoon" door en wordt de roep om betere facilitering van het peuterspeelzaalwerk steeds luider: "Ja geweldig al die aandacht in woorden, wanneer gebeurt er nu echt eens iets ??!"

Ton Biesta stelt verder dat Profilering en positionering, als het om het peuterspeelzaalwerk gaat, veel met elkaar te maken hebben. Profileer je je als sector te weinig, maak je als sector zelf te weinig duidelijk wat je bent, kunt en wilt, dan zijn er al snel anderen, die dat dan wel voor jouw sector doen. Ze plaatsen de sector dan in een hoek, die hen goed uitkomt. Hierbij gebruikmakend van de kracht van het peuterspeelzaalwerk, die voor de sector een zwakte blijft zolang je als sector niet zelf in staat bent daadkrachtig naar buiten aan te geven wie je bent en wat je kunt en wilt. Zo ontstonden er allerlei beelden, bijvoorbeeld bij politici en beleidsmakers. Beelden die in de praktijk helaas nogal eens worden bevestigd: "Klungelig" opererende peuterspeelzaalorganisaties met om de twee jaar wisselende besturen, weinig continuïteit en alleen maar "zeuren" om geld. Tegelijkertijd weten diezelfde politici en beleidsmakers bijvoorbeeld niet dat in hun gemeente 90% van alle 2 - 4 jarigen een peuterspeelzaal bezoekt. Weten ze niet dat als gevolg van een wijziging in de CAO en de extreme loonstijgingen peuterspeelzalen in de financiële problemen geraken. Uit recent onderzoek bleek dat in een kwart van alle gemeenten in Nederland lokale beleidsmakers nauwelijks iets zinnigs kunnen zeggen over het peuterspeelzaalwerk in hun gemeente. Ze weten, of willen niet weten, dat besturen omwille van een algemeen maatschappelijk belang veel vrije tijd in hun bestuurlijk werk stoppen, vaak verstoken van de juiste informatie, want een lidmaatschap van de werkgeversvereniging zit er wegens geldgebrek niet in. Organisaties voor peuterspeelzaalwerk en dan met name de leidsters houden soms ook zelf dat beeld in stand. "Hoe zo verder professionaliseren, laat ons maar het gaat al jaren goed zo". Of, "past de gemeente geen geld bij, dan leveren wij onze vergoeding voor de taakuren wel in". Aan de ene kant leidsters die volop strijden voor een gewone normale honorering en facilitering van hun werk. Om erkenning van het feit dat zij gewoon een vak uitoefenen. En dan ook nog een vak met een hele grote verantwoordelijkheid: nl de begeleiding van en de zorg voor een hele grote groep kinderen in een uiterst kwetsbare leeftijd, zich bevindend in een ontwikkelingsfase, die zeer bepalend is voor hun verdere ontwikkeling. Aan de andere kant leidsters, die vinden dat het zo wel goed gaat. Zich letterlijk opsluiten in de sfeer van de eigen peuterspeelzaal, vergetend dat als zij er mee stoppen er niemand te vinden is die hun werk onder dezelfde condities wil voortzetten.

Ton Biesta heeft de indruk dat daar waar het peuterspeelzaalwerk organisatorisch zwak is (niet in staat datgene wat ze doen te verwoorden; noodgedwongen uitsluitend intern gericht zijn; zwakke besturen en veel te weinig geld), dit heeft geleid tot een "uitverkoop" van het peuterspeelzaalwerk.

Tot slot roept Ton Biesta peuterspeelzalen onder andere op:

  • veel meer naar buiten te treden: te laten zien wie ze zijn, wat ze doen en wat ze willen. Laten zien hoe groot hun bereik is. De deur uit, naar buiten.
  • zelf meer het initiatief te nemen bij lokale beleidsontwikkeling en zich daarbij goed en deskundig laten ondersteunen en informeren.
  • zelf meer initiatief te nemen als het gaat om de toekomstige ontwikkelingen. De sector zal daarbij in staat gesteld moeten worden goed op de hoogte te zijn en te blijven van allerlei ontwikkelingen.
[Terug] [Omhoog]

Nieuws uit het land

Van de stg. Peuterspeelzalen Hoogewoud / Opmeer ontving het LPP de volgende noodkreet:

Sinds de invoering van de Salarisregeling voor Zelfstandige Peuterspeelzalen gaat de stichting gebukt onder de hoge loonkosten. In een schrijven aan het LPP stelt de stichting dat, nu ze zo'n jaar of drie verder zijn, ze eigenlijk failliet zijn, mits de gemeente weer diep in de buidel tast. Vanuit de gemeenteraad komen er steeds meer vragen. Vragen van raadsleden, die nog steeds niet het verschil weten tussen kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Het bestuur van de stichting stelt dat een eigen salarisregeling prima is, maar is van mening dat daar eigenlijk een stimuleringsmaatregel bij hoort. De gemeente Opmeer heeft het naar de mening van het bestuur altijd goed voor gehad met het peuterspeelzaalwerk. De gemeente behoort, aldus het bestuur, in de regio tot de gemeenten die het meeste geld voor het peuterspeelzaalwerk uittrekken. Maar ook bij de gemeente Opmeer wordt men moedeloos, zeker na de fikse salarisstijgingen van 2001 en 2002. De stichting vindt dat peuterspeelzaalwerk niet langer de speelbaal mag zijn van de lokale politiek .Het is de hoogste tijd voor landelijke normen komen en een landelijk daarop afgestemd financieel beleid.

Peuterspeelzaal 'de Speeldoos' uit Voorburg meldt het LPP het volgende:

De Speeldoos heeft in 2000 als direct gevolg van de invoering van de Salarisregeling voor Zelfstandige Peuterspeelzalen en de weigering van de gemeente Voorburg de subsidiesystematiek aan te passen, de formatie met 10,5 uur teruggebracht. Hiervoor was het nodig leidsters te ontslaan. E.e.a. leidde tot het herinzetten van vrijwilligers. Vanuit Voorburg constateert men dat ondanks het feit dat het peuterspeelzaalwerk steeds hoger op de politieke agenda komt, dit niet direct leidt tot ander beleid. Een zelfstandige peuterspeelzaal, die het moeilijk heeft. In Voorburg is men bezig te onderzoeken of het mogelijk is al het gesubsidieerde peuterspeelzaalwerk in één organisatie onder te brengen. Daarnaast zal er een gemeentelijke herindeling gaan plaats vinden. Hopelijk biedt dit alles nieuwe kansen, ook voor 'de Speeldoos'

Van de gemeente Rheden ontving het LPP een afschrift van een brief aan het project 'Lokaal Jeugdbeleid' van de VNG:

In de aanhef van de brief stelt de gemeente Rheden: "Graag willen wij met deze brief de VNG een aantal knelpunten onder de aandacht brengen, die zich binnen het peuterspeelzaalwerk in onze gemeente voordoen. Aangezien wij bij lange na niet de enige gemeente zijn die hiermee te maken heeft, verzoeken wij de VNG zich tot het uiterste in te spannen om het Rijk ervan te overtuigen dat landelijke maatregelen noodzakelijk zijn".

De gemeente Rheden constateert dat het peuterspeelzaalwerk in haar gemeente (financieel) knel komt te zitten. Men constateert als knelpunten: een toenemend gebrek aan vrijwilligers, een overbelasting van leidsters en een forse stijging van de loonkosten. De gemeente zag zich genoodzaakt de ouderbijdrage voor de hoogste inkomensgroepen met 90 % te verhogen en gaf het peuterspeelzaalwerk een extra structurele impuls van zo'n fl. 100.000 per jaar.

De gemeente Rheden dringt er bij de VNG op aan zich nog harder te maken voor de komst van landelijke normen en bekostiging van het peuterspeelzaalwerk.

De Stichting Peuterspeelzalen Oss viert haar eerste lustrum

Op 1 februari jl vierde de Stichting Peuterspeelzalen Oss (SPO) haar eerste lustrum. 's Middags werd er een discussiebijeenkomst gehouden onder de titel 'de peuterspeelzaal in de toekomst'. Er werd aan de hand van 8 stellingen levendig gediscussieerd. De middag werd bezocht door het voltallige personeel van de SPO, lokale politici en een aantal genodigden. Aan het forum namen deel: Eveline Stetter (makelaar vve), Roelanda van Dueren den Hollander (projectleider Sterk Peuterspeelzaalwerk), Marianne Montré (BSJ), Ger Dagstra (beleidsmedewerker ABVA/KABO), Henny van Uden (wethouder gemeente Oss), Cor de Vries (wethouder gemeente Ravenstein) en Ton Biesta (voorzitter LPP).

Enkele conclusies van de discussiemiddag

Stelling 1: Elke gemeente mag zelf bepalen wat ze met de (financiering van de) peuterspeelzalen doen.
Algemene conclusie: Het zou goed zijn om te komen tot een landelijke norm voor wat betreft de financiering (waar hebben peuterspeelzalen minimaal recht op om een bepaalde kwaliteit te kunnen leveren). Gepleit werd er verder voor een rijksregeling, geoormerkte gelden en geen ouderbijdrage.

Stelling 2: De peuterspeelzalen moeten gratis worden (alle Nederlanders dragen bij via de belastingen).
Algemene conclusie: Niet als dit ten koste zou gaan van de kwaliteit. Ja, de peuterspeelzalen moeten voor iedereen toegankelijk zijn. Financiële drempels mogen niet worden opgeworpen. Het onderwijs voor 4-jarigen en ouder is gratis. Waarom dan niet voor 2- en 3-jarigen. Zorg voor kwaliteit. In Oss is het goed geregeld. De gemeente betaalt het grootste deel van de kosten (in Terneuzen hebben de medewerksters taakuren ingeleverd om te kunnen bezuinigen).

Stelling 3: Een peuterspeelzaal is een pre-school, waar kinderen onderwijsklaar gemaakt worden.
Algemene conclusie: Door alle ontwikkelingen op het gebied van onder andere VVE-projecten lijkt het wel die kant uit te gaan. De vrijblijvendheid verdwijnt, dit mag echter niet ten koste gaan van de individuele peuter, van de persoonlijke aandacht en van spelen. De sector is geen afgeleide van de basisschool (geen na-school, dus ook geen voor-school of pre-school). De term maakt op zich niet veel uit, maar roept wel associaties op met lezen en rekenen. Gekozen is voor de term 'educatie' (education, brede ontwikkeling) binnen de VVE. Kinderen groeien niet op om naar school te gaan; kinderen ontwikkelen zich om een evenwichtige volwassene te worden.

Stelling 4: De peuterspeelzalen worden opgeheven en worden onderdeel van het basisonderwijs (de leerplicht gaat omlaag naar 2 jaar).
Algemene conclusie: De peuterspeelzalen integreren onder een overkoepelend orgaan, met behoud van de eigen identiteit ("ja mits"). Voorwaarden: moet wel speels blijven, spelend ontwikkelen, stimulerend en activerend, lage drempel naar ouders. De leerplicht niet naar 2 jaar. Deelname op basis van vrijwilligheid. Motivatie en werving via het consultatiebureau. Ouders hebben een eigen keus. ("Nee want") Geen onderdeel van het basisonderwijs, want de eigen identiteit van de peuterspeelzalen gaat verloren. Eigenlijk zou het niet nodig moeten zijn om het verplicht te moeten stellen. Voor sommige doelgroepen zou het positief zijn.

De leerplicht hoeft niet verlaagd te worden, alhoewel dit voor bepaalde aandachtsgroepen wel goed zou zijn. De peuterspeelzalen moeten wel toegankelijk zijn voor alle kinderen. Hiervoor moet aanvulled beleid opgesteld worden. Tot de leeftijd van 7 jaar zouden de kinderen veel meer moeten spelen, veel meer ervarend moeten leren. In plaats van de peuterspeelzaal aan de basisschool te koppelen, kan ook de onderbouw aan de peuterspeelzaal gekoppeld worden (2-6 jarigen).

Stelling 5: De peuterspeelzalen moeten 'openbaar', 'bijzonder' of 'speciaal' worden (net zoals het openbaar onderwijs, het bijzonder onderwijs en het speciaal onderwijs).
Algemene conclusie: Nee: geen 'speciaal' peuterspeelzaalwerk, geen etiket opplakken. Geen 'openbaar'/'bijzonder' peuterspeelzaalwerk: kinderen uit de buurt halen, peuterspeelzaal moet een afspiegeling van de maatschappij zijn in verband met acceptatie/tolerantie, iedereen is gelijk. Alle scholen zouden 'openbaar' moeten worden. Dit zou de aansturing en administratieve rompslomp makkelijker maken. Het is juist goed dat er geen verzuiling/uitsplitsing binnen het peuterspeelzaalwerk is. Men kan wel differentiëren op inhoud (programma's). Een nauwe samenwerking met het basisonderwijs kan binnen educatieve centra gerealiseerd worden.

Stelling 6: Het basisonderwijs moet aangepast worden in een brede school voor 0-6 jarigen en een brede school voor 7-12 jarigen.
Algemene conclusie: Splitsing wat betreft leeftijd is onnodig. Belangrijker is dat de peuters een duidelijke 'eigen' plek krijgen binnen de brede school. De peuterspeelzaal moet een basisvoorziening worden, om meer ouders en kinderen te bereiken. We zijn voorstanders voor een brede school: onderbouw (0-6 jarigen) en midden/bovenbouw (7-12 jarigen). De Bredeschool wordt pas een succes als men gebruik maakt van elkaars kennis en ervaring (informatie uitwisselen, samenwerken, enzovoort). Blijft men echter in 'hokjes' werken, dan kun je niet spreken van een brede school in de juiste zin van het woord.

Stelling 7: Alle peuterleidsters moeten een HBO-opleiding gevolgd hebben (net zoals de leerkrachten in het basisonderwijs).
Algemene conclusie: Een gerichte MBO-opleiding is voldoende om het kind van 2 tot 4 jaar te begeleiden. Een MBO-opleiding met daarbij aanvullende cursussen die met de veranderingen binnen dit gebied nodig zijn. Dus niet alle peuterleidsters en HBO-opleiding, wel de hoofdleidster.

Stelling 8: Alle ouders moeten een opvoedings-cursus volgen, zodat kinderen zich beter kunnen ontwikkelen.
Algemene conclusie: Mogelijkheid moet bestaan om een cursus aan te bieden. Geen verplichting. Binnen de peuterspeelzaal moeten signalen opgevangen worden. Eventueel tips aanbieden. Geen cursus, wel via bijv. brede school, buurtnetwerk meer ondersteuning geven, zowel ouders als kinderen zijn individuen met eigen normen en waarden. Wie bepaalt wat goed of slecht is. Opvoeden is soms echt lastig. Ouders mogen steun verwachten en moeten steun kunnen krijgen. Adviezen van leidsters worden door ouders op prijs gesteld, de peuterspeelzaal is laagdrempelig en ouders hebben vertrouwen in de leidsters. Leidsters kunnen ouders adviseren over te volgen cursussen. Ouders geven elkaar onderling ook veel steun.

Er was een grote eenstemmigheid bij de forumleden. Men hecht unaniem belang aan de aandacht voor het jonge kind, men name in preventieve zin. Het peuterspeelzaalwerk is een basisvoorziening. Het werkveld moet zich meer profileren en verder professionaliseren. De gemeenten moeten zich sterk maken voor de sector. Landelijke regelgeving is noodzakelijk. De sector werkt steeds nauwer samen met onder andere het onderwijs. Ouderbetrokkenheid is belangrijk.

De stichting Peuterwerk Landgraaf viert 2e lustrum

De Stichting Peuterwerk Landgraaf is 10 jaar geleden ontstaan uit een fusie van 6 autonome stichtingen peuterspeelzaalwerk, die samen 12 peuterspeelzalen beheerden. De SPL vond dit de moeite waard (en terecht!) om dat uitgebreid te vieren.

Naast allerlei festiviteiten leverde dit lustrum een alleraardigst en kleurrijk boekwerk op, getiteld: Peuterwerk, kinderspel; tien jaar SPL 1991-2001.

Voor die organisaties die iets dergelijks ook willen realiseren: een heel leuk voorbeeld. Voor die peuterspeelzalen die nog twijfelen aan het nut van samengaan met andere peuterspeelzalen in de eigen gemeente: een heel interessant boekje om eens te lezen.

Voor nadere inlichtingen (overigens die het eerst komt, die het eerst maalt!) kunt u contact opnemen met het kantoor van de SPL: 045-5311983

[Terug] [Omhoog]