|
Nieuwsbrief nummer 11, september 2002Algemeen landelijke ontwikkelingenEén uitkering voor bestrijding achterstandenAlle geld voor het bestrijden van onderwijsachterstanden bij kinderen is in één grote pot gegaan. De middelen voor het gemeentelijk beleid (goa), de voor- en vroegschoolse educatie en het onderwijskansenbeleid worden vanaf 1 augustus 2002 jaarlijks in één specifieke uitkering aan de gemeenten verstrekt. Per 1 augustus 2002 zijn GOA-gemeenten verplicht om een beleidskader 'Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid 2002-2006' op te stellen. Drie belangrijke adviezenKort voor de zomervakantie zijn er drie belangrijke adviezen verschenen:
Pieter v.d. Velde verlaat het LPPDinsdag 4 juni jl heeft het LPP afscheid genomen van Pieter v.d. Velde. Pieter is ruim 3 jaar lang als adviseur en onafhankelijk gespreksleider bij het LPP betrokken geweest. Al die tijd is hij door de stg. Symbiose (provinciale ondersteuningsorganisatie in de provincie Limburg) aan het LPP uitgeleend. Pieter kenmerkte zich door een grote betrokkenheid bij en kennis van het peuterspeelzaalwerk. Zijn enthousiasme heeft al die tijd uitermate inspirerend gewerkt. Pieter was één van ons. Langs deze weg willen wij Pieter nogmaals bedanken voor zijn inzet, betrokkenheid en zijn sfeervolle aanwezigheid. Pieter gaat zich binnen zijn werk op andere terreinen richten. Pieter nogmaals bedankt! Ton Biesta (voorzitter)
Eén uitkering voor bestrijding achterstandenPer 1 augustus 2002 zijn GOA-gemeenten verplicht om een beleidskader 'Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid 2002-2006' op te stellen. Dit beleidskader sluit aan op het beleidskader 1998-2002. De landelijke doelstellingen van dit nieuwe beleidskader inzake onderwijsachterstandenbestrijding zijn:
De totale geldstroom naar de gemeente bedraagt ten minste € 182 miljoen, hetgeen een verruiming van het budget is ten opzichte van het voorheen beschikbare bedrag. Verkenning VVE. Een nadere uitwerking van de drie beleidsopties over voor- en vroegschoolse educatie in Grenzeloos leren'(Een samenvatting draagvlakonderzoek Sardes)) In 'Grenzeloos leren' van OC&W en in de 'Beleidsbrief Peuterspeelzaalwerk' van VWS zijn zijn drie beleidsopties voor de toekomst van VVE geformuleerd:
Uit een onderzoek van Sardes blijkt dat scenario 3 door vrijwel alle respondenten wordt gezien als de meest wenselijke situatie; waarbij men een geleidelijke en gestructureerde ontwikkeling voorstaat. In het rapport 'Grenzeloos leren' is voor het 0-6 jarigenbeleid een streefbeeld geformuleerd:
In de huidige situatie bestaan knelpunten die de realisatie van het streefbeeld belemmeren. Deze knelpunten liggen op het gebied van kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid. De kwaliteit, het voorzieningenniveau en het bereik van het voorschools traject laten te wensen over. De aansturing is problematisch doordat de financiering, de organisatie en de aansturing van de bij VVE betrokken voorzieningen verschillend zijn. Ook het gebrek aan (geschoold) personeel zowel in de voorschoolse als de vroegschoolse voorziening staat de voortgang in de weg. De huidige financiering is niet toereikend om voor alle kinderen die VVE nodig hebben een aanbod te realiseren. Tegelijkertijd wordt de waarde van VVE algemeen erkend. Extra educatieve aandacht in een vroeg stadium kan voor kinderen in achterstandssituaties leerachterstanden in latere fasen voorkomen en maatschappelijke participatie vergroten. Daarom stelt het kabinet voor VVE in de komende kabinetsperiode krachtig te bevorderen en de knelpunten weg te nemen. In Grenzeloos leren zijn met dat doel drie beleidsopties geformuleerd:
In het onderzoek van Sardes worden in 'Beleidsoptie 2' twee scenario's onderscheiden: scenario 2a waarin alleen voor doelgroepkinderen een voorschool aan een basisschool wordt gekoppeld, en scenario 2b waarin dat voor de totale leeftijdsgroep gebeurt. De opties zijn uitgewerkt in concrete scenario's. De bedoeling van de scenario's is om te laten zien hoe de opties kunnen worden ingevuld. Vervolgens is van elk scenario aangegeven wat de bestuurlijke, beleidsmatige en financiële consequenties zijn en is het scenario beoordeeld aan de hand van de criteria uit het analysekader. Ten behoeve van het opstellen van het analysekader zijn deskundigen op het gebied van VVE-beleid geraadpleegd. Vervolgens zijn de scenario's zonder analyse en zonder commentaar naar een aantal betrokkenen in het VVE-veld gestuurd met het verzoek hierop te reageren en aan te geven naar welk scenario de voorkeur uitgaat. Van de commentaren is een samenvatting gemaakt. Voorkeur voor scenario 3Scenario 3 wordt door vrijwel alle gesprekspartners gezien als de meest wenselijke situatie. Men vreest echter dat door de systeemverandering de huidige voortgang wordt belemmerd en kiest daarom voor een zeer geleidelijke en gestructureerde voortgang van optie 1, resp. 2b naar optie 3. Bezwaren worden vooral vanuit de onderwijssector geopperd. Deze hebben vooral betrekking op gebrek aan keuzevrijheid en het rigide karakter van de voorziening. Los van de uitwerking in scenario 3 zijn alle gesprekspartners voorstander van integratie van beleid zodanig dat er sprake is van 1 beleidsregie vanuit de rijksoverheid. Uit het onderzoek komt naar voren dat scenario 3 het enige scenario blijkt te zijn waarin de huidige knelpunten kunnen worden opgelost. Het streefbeeld zoals in 'Grenzeloos leren' genoemd komt in dit scenario het best tot zijn recht. Toch is niet iedereen onverdeeld enthousiast over dit scenario. Als bezwaren worden genoemd de aansluiting met het beleid voor 6-12-jarigen, het uniforme karakter van de centra en de vrees dat de aandacht teveel gevestigd zal worden op structuuringrepen en niet op het oplossen van de problemen in de huidige praktijk. Ook worden in dit scenario niet alle problemen opgelost. Het oplossen van de arbeidsmarktproblematiek is voor elk scenario voorwaardelijk en wordt urgenter naarmate de deelname aan voorschoolse activiteiten groeit. Functiedifferentiatie, het aantrekkelijker maken van het werken in zowel de voorschoolse als in de schoolse omgeving zijn elementen die in de verdere uitwerking bij elk scenario een rol moeten spelen. Ook het knelpunt van de verschillende soorten toezicht is in dit scenario nog niet opgelost.
Impressie gesprek LPP / Sardes in het kader van het draagvlakonderzoek VVE op 11 april 2002Namens het LPP: Ton Biesta en Nel Kruit, Namens Sardes: Anke van Kampen en Karin Vosters Vooraf stellen de leden van het LPP dat het LPP geen belangenorganisatie is en dus niet in de positie verkeert en ook niet de pretentie heeft te spreken namens alle peuterspeelzalen. Het LPP kent echter als geen ander de feitelijke situatie binnen de praktijk van het peuterspeelzaalwerk. Zo zijn alle leden van het bestuur van de Stichting LPP werkzaam in een leidinggevende functie binnen een instelling die peuterspeelzaalwerk uitvoert. In het kort wordt de ontstaansgeschiedenis van het LPP geschetst en de doelstelling van het LPP toegelicht. De leden van het LPP geven aan dat het haast onmogelijk is om goed op de beleidsopties te reageren en dat de discussie binnen de sector zelf nog nauwelijks leeft. Naar de mening van het LPP blijkt verder dat ook de politiek zich nog nauwelijks een mening heeft gevormd over de wenselijkheid van welk scenario dan ook. Verder is er nog veel onduidelijk over zaken als: bestuurlijke inbedding, financiering en landelijke contouren van peuterspeelzalen als basisvoorzieningen. Standpunten zoals door het LPP in het gesprek verwoord: Het stoort het LPP in hoge mate dat de VVE dominant vanuit onderwijsperspectief benaderd wordt, zonder dat er serieus ook mede vanuit de sector peuterspeelzaalwerk (het Welzijnswerkperspectief) naar inhoudelijke vraagstukken gekeken wordt. Men gaat voorbij aan de jarenlange ervaring en deskundigheid binnen het peuterspeelzaalwerk in het omgaan met zeer jonge kinderen. Aan de grote populariteit van de peuterspeelzaal bij de ouders (een bereik van ruim 60 % !!). Aan het peuterspeelzaalwerkconcept, wat blijkbaar bij het overgrote deel van de Nederlandse ouders aanslaat. Dat blijkt onder andere uit het feit dat de informatiestroom over VVE vooral vanuit het onderwijs gevoed wordt en dientengevolge in onvoldoende mate de sector peuterspeelzaalwerk (en de welzijnssector bereikt). Daarnaast is het onderwijs veel beter georganiseerd (goede infra -ondersteunings- en ontwikkelingsstructuur) dan de sector peuterspeelzaalwerk. Hierdoor vergeet men te vaak om ook vanuit het peuterspeelzaalwerkaanbod de discussie over wat nodig is te laten voeden. In de praktijk blijkt dat de scenario's nogal eens ergernis opwekken in plaats van het grensoverstijgend denken te prikkelen. Te vaak wordt het peuterspeelzaalwerk bijvoorbeeld te eenzijdig afgeschilderd als onprofessioneel. "Breng het peuterspeelzaalwerk maar onder bij het onderwijs dan komt het wel goed". In de uitwerking van de beleidsopties ontbreekt een schets van de (professionaliteits-) ontwikkelingen die het peuterspeelzaalwerk* doormaakt. Zoals bijvoorbeeld de tendens naar schaalvergroting binnen de sector peuterspeelzaalwerk. Ook ontbreekt het aan het benoemen van zoals reeds eerder genoemd de ervaring en expertise in het werken met het zeer jonge kind. De vraag doet zich voor in hoeverre de discussie rond de scenario's binnen de politiek leeft. Zo bleek tijdens het Algemeen Overleg in de Tweede Kamer (14 maart 2002), dat er geen voorkeur bestaat om het peuterspeelzaalwerk bij het onderwijs aan te haken. Er is wel degelijk een goede spreiding van peuterspeelzalen, maar de invulling van het peuterspeelzaalwerk is erg divers qua openingstijden, eigen bijdrage, salariëring, kwaliteit en leidster-kind ratio. Er is nog onvoldoende gefundeerd onderzoek gedaan naar het bereik van (VVE)doelgroep-kinderen onder peuterspeelzalen. En vervolgens bezoeken die doelgroeppeuters wel de peuterspeelzalen die een vve-aanbod hebben ? Of gaat een deel van hen ook naar peuterspeelzalen die geen vve-aanbod hebben ? Er is grote behoefte aan een realistisch beeld van de huidige situatie alvorens duidelijk kan worden wat daadwerkelijk nodig is om de gestelde VVE doelstellingen te realiseren. Het LPP is van mening dat alle kinderen de gelegenheid moeten krijgen om een educatief programma te volgen. Het peuterspeelzaalwerk grijpt de VVE aan als kans om verder te professionaliseren. Alvorens te komen tot een algemene invoering van educatieve programma's moet er eerst in basisvoorzieningen geïnvesteerd worden. Voor alle kinderen van 2 jaar moet een plaats in een peuterspeelzaal beschikbaar zijn. Vanuit de praktijk van het peuterspeelzaalwerk wordt gesteld dat VVE bovenop datgene wat al vanuit de basisvoorziening (functie) wordt gerealiseerd, voor diegenen die dat nodig hebben wordt aangeboden. Het LPP heeft voorkeur voor lokaal maatwerk. Maar het gevaar bij een sterke rol voor de gemeente als regisseur is, dat de taken en bevoegdheden vooralsnog zeer onduidelijk zijn en nog veel te afhankelijk van de lokale politieke prioriteit. Beleidsoptie 1 is de enige mogelijke oplossing die op korte termijn haalbaar is. Maar het huidige voorzieningenniveau voldoet bij lange na niet. Er moet eerst een landelijke regeling komen en gegarandeerde financiering. Optie 3 zou een interessant toekomstscenario kunnen zijn. Hoewel ook daar twijfels over bestaan. Twijfels bijvoorbeeld ingegeven door de verregaande vercommercialisering van de kinderopvang (meer concurrentie en versnippering). Er is wel behoefte aan het weghalen van de huidige schotten tussen zorg, opvang en onderwijs. Versnippering, vercommercialisering en nagestreefde toenemende onderlinge concurrentie maken het steeds moeilijker om via de kinderopvang maatschappelijke doelstellingen te realiseren. Samenvoeging van het peuterspeelzaalwerk en kinderopvang is binnen de sector peuterspeelzaalwerk geen item. Kinderopvang is in de eerste plaats een arbeidsmarktinstrument. Bovendien is het maar de vraag hoeveel kinderen vanuit de VVE doelgroep gebruik maken van de kinderopvang. De uitbreiding van de kinderopvang is tot nu toe niet ten koste gegaan van het peuterspeelzaalwerk. De vraag is maar of dat de komende jaren wel zal gebeuren. In de huidige praktijk bestaan peuterspeelzalen en kinderopvang naast elkaar, met daar waar mogelijk praktische samenwerking (bijv. fysiek). Van meer inhoudelijke samenwerking is in de regel nog weinig sprake. Het zou overigens een hele goede zaak zijn wanneer peuters, gebruik makend van de kinderopvang, gedurende een x aantal uren per dag een educatief programma (bijv. binnen een peuterspeelzaal-context) aangeboden krijgen. In de scenario's ontbreekt de uitgewerkte functie van het peuterspeelzaalwerk, zoals die vanuit het werkveld zelf is verwoord in het visiedocument van het project Sterk Peuterspeelzaalwerk (MO groep). Inmiddels blijkt binnen de kinderopvang de negatieve kant van een verdere vercommercialisering. De samenwerking binnen het concept van de brede school komt (fysiek) in gevaar. Bedrijfseconomisch kan het voor kinderopvanginstellingen financieel niet haalbaar en verantwoord zijn om binnen de bredeschool kleinschalige kinderopvang aan te bieden. In de toekomst zou een algemene basisvoorziening voor 0-6 jarigen (of 2 - 7 jarigen) niet ondenkbaar kunnen zijn, waarbij het kind uitgangspunt van beleid is. Een ander scenario kan zijn, te komen tot basisvoorzieningen voor kinderen van 2 - 7 jaar. Dus niet het peuterspeelzaalwerk onderbrengen bij het onderwijs, maar de onderbouw samenvoegen met de peuterspeelzaal. De wijze van leren van kinderen tussen de 2 en 7 jaar blijkt op een zelfde manier te geschieden. De ontwikkelingsfase is dan uitgangspunt voor de inrichting van voorzieningen. In de leeftijdsfase, waar het hier om gaat, is spelen uiterst belangrijk. En als dat 'spelend leren' is dan is het helemaal goed. Bovendien zal de doorstroom vanuit een algemene basisvoorziening naar het basisonderwijs beter zijn.
'Educatief centrum voor ouder en kind'. Advies over voor- en vroegschoolse educatie(Samenvatting advies RMO) De voor- en vroegschoolse educatie (vve) vormt een belangrijk onderdeel van het brede aanbod in het lokaal algemeen en preventief jeugdbeleid. Het gaat hierbij om ontwikkelingsstimulering van kinderen in de voorschoolse periode tot en met de vroegschoolse periode (4 en 5 jarigen) met als doel onderwijsachterstand te voorkomen. Aanleiding voor deze adviesaanvraag is ten eerste een duidelijke zorg van het kabinet over de achterstand van veel kinderen bij de aanvang van het primair onderwijs. Een tweede aanleiding voor de adviesaanvraag is de constatering dat het huidige vve-beleid een aantal belangrijke knelpunten kent, namelijk ten aanzien van het bereik van de doelgroep; voor wat betreft de beperkte samenhang en aansturing; en de kwaliteit in de uitvoering laat nog te wensen over. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling heeft de adviesvraag beantwoord vanuit zijn visie op de brede sociaal-pedagogische infrastructuur of zoals de raad het met eigen woorden interpreteert: het gezin in zijn sociale context. In de onderwijsverkenning van het tweede kabinet Kok 'Grenzeloos leren' zijn de volgende doelstellingen geformuleerd voor de voor- en vroegschoolse educatie:
De RMO pleit er in zijn advies over voor- en vroegschoolse educatie voor educatieve centra voor ouder en kind te vormen als onderdeel van de versterking van de sociaal-pedagogische infrastructuur. Deze centra vormen het ankerpunt voor een gestructureerd, toegankelijk en kwalitatief goed vve-beleid. De RMO gaat in zijn advies uit van een gemeenschapsgerichte benadering. Door aan te sluiten - via dialoogsturing - bij de behoeften en de leefwereld van ouders en kinderen, kan in de uitvoering van de vve-programma's aangehaakt worden bij diverse instellingen en voorzieningen. Uitgangspunt hierbij is dat de vve-programma's zowel in het educatief centrum zelf, als op verscheidene andere locaties uitgevoerd kunnen worden. Dit uitgangspunt sluit aan bij de diversiteit van leefwereld en ontwikkelingsmogelijkheid van kinderen en ouders. Dit betekent dat de uitvoering van vve niet alleen in het educatief centrum kan plaatsvinden, maar ook in alternatieve locaties of voorzieningen: de consultatiebureaus, de brede school, de basisschool, de voorschool, de kinderopvangcentra, de peuterspeelzalen, de roc's, zelforganisaties, buurthuizen, maar ook minder voor de hand liggende locaties zoals religieuze centra. Het educatief centrum functioneert als zelfstandig bestuursorgaan (zbo) en staat onder regie van de gemeente. Dit betekent dat de kern van de bestuurlijke vernieuwing van het vve-beleid geconcentreerd is op lokaal en niet op landelijk niveau. Het advies is te downloaden van www.adviesorgaan-rmo.nl
'Spelenderwijs. Kindercentrum en basisschool hand in hand'(Samenvatting advies Onderwijsraad) Ouders beter tegemoetkomen: naar een kindercentrum nieuwe stijlOuders moeten meer mogelijkheden krijgen om te kiezen voor goede ontwikkelingsgerichte voorzieningen voor hun jonge kinderen. Het geheel aan voorzieningen dat nu bestaat moet beter worden afgestemd op de vraag van ouders en het moet beter worden in kwalitatief opzicht. De raad stelt voor om de bestaande voorzieningen zoals instellingen voor kinderdagopvang en peuterspeelzalen om te vormen tot één kindercentrum dat voldoet aan de wensen van ouders. Kindercentra zijn kwantitatief en kwalitatieve goede voorzieningen, waarbij bovendien voor kinderen die dat nodig hebben een extra programma in de vorm van voor- en vroegschoolse educatie (vve) wordt aangeboden. Voor de continu ïteit in de pedagogische aanpak werkt het kindercentrum samen met een basisschool. Redenen om te komen tot een beter aanbod van voorzieningen en programma's zijn onder andere te vinden in pedagogische en economische motieven. Pedagogische en economische invalshoekVanuit pedagogische invalshoek is in dit advies nagegaan op welke wijze de ontwikkeling bij het jonge kind verloopt en welke betekenis deze ontwikkeling heeft voor de omgeving van het kind. De ontwikkeling van kinderen is aangegeven op de volgende domeinen: de lichamelijke en psychomotorische ontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling; en de sociaal-emotionele ontwikkeling. Ouders kunnen ervoor kiezen om hun kind een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf te laten bezoeken. Indien daarvoor wordt gekozen, is het van belang dat, net als in gezinnen, ook in deze voorzieningen aandacht wordt besteed aan deze ontwikkelingsdomeinen. De huidige programma's die worden aangeboden kunnen op deze punten worden verbeterd. Vanuit economische invalshoek worden motieven van de overheid voor bemoeienis met zorg, opvang en educatie van nul- tot vierjarigen beschreven. Zo is het Nederlandse overheidsbeleid in het verleden voornamelijk gericht geweest op het kostwinnersmodel. Momenteel is dit model aan het verdwijnen en komt het partnerschapsmodel op. Dit laatste model is gericht op een meer gelijke rolverdeling wat betreft opvoedingstaken en arbeid tussen echtgenoten of partners. Het ontbreken van uitgebreide voorzieningen op het gebied van zorg, opvang en educatie van het jonge kind kan een belemmering zijn voor ouders om beiden geheel of gedeeltelijk te gaan werken. Het blijkt dat vraag en aanbod in de kinderopvang door verschillende ontwikkelingen zowel kwalitatief als kwantitatief niet naadloos op elkaar aansluiten. De raad signaleert dat er:
Voorstel van de raadDe raad stelt voor om de huidige ordening in het voorzieningenniveau voor jonge kinderen te wijzigen. Allereerst is de raad van mening dat peuterspeelzalen en kinderopvanginstellingen naar elkaar toe moeten groeien om een nieuw type kindercentrum te vormen. Deze kindercentra moeten voldoen aan een aantal kwaliteitsstandaarden om een ononderbroken ontwikkeling van kinderen te kunnen realiseren. Deze kwaliteitsstandaarden hebben betrekking op:
De raad adviseert ten tweede dat het kindercentrum en de basisschool op bepaalde aspecten samen moeten werken. Basisschool en kindercentrum kunnen veel van elkaar leren en hebben elkaar in de toekomst ook nodig. Bewaking van de kwaliteit en financiënVoor de bewaking van de kwaliteit moeten kindercentra net als basisscholen onder toezicht van een landelijk orgaan staan. De raad stelt voor om het toezicht onder te brengen bij de Inspectie van het Onderwijs. Daarnaast pleit de raad ervoor aandacht te besteden aan de invoering van kindercentra en aan het opbouwen van samenwerkingsverbanden met basisscholen door een expertisecentrum in te richten. Dit centrum zal taken krijgen bij de kennisontwikkeling, de programmaontwikkeling en de ontwikkeling van nieuwe samenwerkingsmodellen. Voor de extra financiering van programma's voor kinderen met een potentiële onderwijsachterstand, stelt de raad voor de gewichtenregeling basisonderwijs (voor kinderen van vier tot twaalf jaar) uit te breiden naar kinderen van nul tot vier jaar. Om vast te kunnen stellen welke kinderen voor extra financiering in aanmerking komen, zijn de criteria van de gewichtenregeling bepalend. In het in 2001 gepubliceerde advies Wat 't zwaarst weegt… heeft de raad reeds het voorstel gedaan de gewichtenregeling basisonderwijs aan te passen. In het nog te verschijnen vervolgadvies op Wat 't zwaarst weegt…, zal een voorstel worden gedaan over de hoogte van de nieuwe gewichten. Deze achterstandsmiddelen zullen via de basisschool beschikbaar komen voor het kindercentrum. Het kindercentrum kan daarmee aanvullende programma's bekostigen voor kinderen die extra stimulansen nodig hebben. In de toekomstige situatie zullen de vve-middelen (mede bestemd voor de kindercentra nieuwe stijl) dus aan de scholen voor basisonderwijs worden overgemaakt en deel uitmaken van de toekomstige gewichtenregeling. Voor de financieringsstructuur wordt in dit advies voorgesteld aan te sluiten bij een opzet zoals onder meer verwoord in het wetsvoorstel Wet Basisvoorziening Kinderopvang (WBK). Hierbij wordt echter opgemerkt dat dit financieringsmodel als nadeel heeft dat de toegankelijkheid niet voor alle kinderen gelijk is. Om de toegankelijkheid te vergroten stelt de raad voor om de financieringssystematiek van de WBK niet van toepassing te verklaren op ouders met kinderen die in de basisschoolleeftijd het gewicht groter dan nul hebben. Deze groep ouders krijgen, ongeacht of ouders participeren op de arbeidsmarkt, voor het feitelijke gebruik van een kindercentrum een inkomensafhankelijke bijdrage van de overheid. De toegankelijkheid wordt hierdoor voor deze groep vergroot. Door het verlagen van de financiële drempel en met de beschreven bestuurlijke verantwoordelijkheidsverdeling worden waarborgen ingebouwd voor algemeen toegankelijke en kwalitatief goed ontwikkelde kindercentra. Tot slotDe raad realiseert zich dat volledige implementatie van kindercentra voor nul- tot vierjarigen inclusief de samenwerking met een basisschool niet in één keer kan worden gerealiseerd. De voorgestelde samenwerking van het domein van de nul- tot vierjarigen met scholen zal derhalve in een ontwikkelingstraject vormgegeven moeten worden. Ten tweede zal een inspanning in organisatorisch, financieel en professioneel opzicht geleverd moeten worden om het geschetste beeld van de kindercentra te realiseren. Naar de mening van de raad zal een periode van vier tot zes jaar nodig zijn om de huidige voorzieningen om te vormen tot kwalitatief goede voorzieningen die met basisscholen samenwerken en tegemoetkomen aan de wensen van verschillende groepen ouders.
Een impressie van de presentatie van het advies van de onderwijsraad op 26 juni jlOp 26 juni j.l. heeft de Onderwijsraad haar advies gepresenteerd. Namens het LPP was ondergetekende aanwezig. Ik heb met stijgende verbazing en irritatie naar de presentatie geluisterd. Kort samengevat kregen de aanwezigen het volgende te horen: de kwaliteit en deskundigheid binnen het peuterspeelzaalwerk en de kinderopvang is onvoldoende, de VVE veroorzaakt een ongewenste scheiding tussen groepen kinderen, de 0 - 4 jarigen moeten in kindercentra verspreid binnen een gemeente opgevangen worden, de financiering kan via het WBK-model gerealiseerd worden, de onderwijsinspectie controleert de kwaliteit, de directeur van een basisschool kan overwegen om commerciële activiteiten te starten door directeur van een kindercentrum te worden. De Onderwijsraad had de opdracht gekregen om het advies vanuit het onderwijs uit gezien op te stellen. En dat heeft de Raad dan ook gedaan ! Het resultaat ervan kwam bij mij wel erg arrogant over. Kort door de bocht gezegd: de 'stoep' van het basisonderwijs moet onder toeziend oog van de onderwijsinspectie eerst op orde gebracht worden, waarna het onderwijs het kan overnemen. In antwoord op een aantal van mijn vragen bleek dat hun advies gebaseerd was op documenten en een interview met een peuterspeelzaalorganisatie in Amsterdam die met een 'voorschool' werkt (men was verder niet met het werkveld in gesprek geweest). Tevens had men bijvoorbeeld geen concreet idee hoe de financiering eruit zou moeten zien (wat te doen als een ouder geen werkgever heeft om een deel van ouderbijdrage te betalen ?). Ook zou de peuterspeelzaal inderdaad geen buurtvoorziening meer zijn. Enzovoort, enzovoort. Alle verworvenheden van het peuterspeelzaalwerk werden voor mijn gevoel aan de kant gezet. Tijdens de presentatie en na afloop heb ik mijn ongenoegen laten blijken, waarbij ik me wel realiseerde dat presenteren een vak is en dat de volledige inhoud van het advies wellicht meer nuances zou kunnen bevatten. (Els Hoeffnagel, 27 juni 2002).
Nieuws uit het landStichting Peuterspeelzalen Tholen sinds 1 mei 2002 een feit. Bij de fusie waren 8 peuterspeelzalen betrokken; De gesubsidieerde peuterspeelzalen uit de gemeente Heemstede stellen grote vraagtekens bij de invoering van het ARBO -convenant. Ze verwijten de bij de totstandkoming van het convenant betrokken partijen dat zij veel te veel zijn uitgegaan van de kinderopvang en dat het peuterspeelzaalwerk er terloops 'ook maar even bij is meegenomen'. De gezamenlijke peuterspeelzalen vragen het LPP de gehele gang van zaken serieus te volgen. De betrokken peuterspeelzalen stellen dat er eerst maar eens een algemeen wettelijk kader voor het peuterspeelzaalwerk dient te komen met een bijbehorend financieel kader. Ook is een gedegen onderzoek naar visie en werksituaties noodzakelijk. Op grond van de resultaten van een dergelijk onderzoek zouden dan voor het peuterspeelzaalwerk ergonomische normen ontwikkeld kunnen worden. Een cursus 'Goed ruggebruik' is mogelijk veel effectiever dan nieuw meubilair, aldus het peuterspeelzaalwerk uit Heemstede. (Het LPP heeft de bij het convenant betrokken partijen reeds in een eerder stadium de nodgie kritische geluiden laten horen en ontvangt graag nog meer ervaringen tot nu toe). Doetinchemse peuterspeelzalen ondergebracht bij Yunio.Vanaf 1 november zullen de veertien Doetinchemse peuterspeelzalen worden ondergebracht bij Yunio. Professionalisering van het peuterspeelzaalwerk en het zorgen voor continuïteit zijn de belangrijkste redenen voor het onderbrengen van alle huidige peuterspeelzalen bij Yunio. Het college van B&W gemeente Doetinchem heeft ingestemd met de uitgangspunten die moeten leiden tot een budgetovereenkomst tussen de gemeente en Yunio. ProfessionaliseringOp dit moment worden de peuterspeelzalen vooral bestuurd door vrijwilligers. Het is voor de afzonderlijke besturen, die veelal bestaan uit ouders, steeds moeilijker de benodigde continuïteit en kwaliteit te garanderen. Daarom is gekozen voor de overgang naar Yunio. Deze organisatie verzorgt een keten van diensten gericht op aanstaande ouders en ouders met kinderen van nul tot dertien jaar. Het pakket omvat Kraamzorg, Jeugdgezondheidszorg (consulta tiebureaus), Kinderopvang en Peuterspeelzalen. Yunio ontstond uit een fusie tussen Okido en Zorggroep Oost Gelderland. Ook voor de peuterspeelzaalleidsters is de verandering belangrijk; in de nieuwe organisatie worden zij gecoacht en begeleid in de uitvoering van hun werk. UitgangspuntenNa een reeks zeer constructieve overleggen tussen de besturen van de peuterspeelzalen en Yunio is er overeenstemming bereikt over de kernopdracht van de peuterspeelzalen. Vanuit deze kernopdracht zijn afspraken gemaakt over het behoud van identiteit, het plaatsingsbeleid en de pedagogische uitgangspunten. Extra investeringIn het peuterspeelzaalwerk komt steeds meer regelgeving o.a. op het gebied van veiligheid, kwaliteit en hygiëne. Om te voldoen aan deze regels moeten er steeds meer kosten worden gemaakt. Bovendien geldt voor de meeste peuterspeelzalen dat het bestuurswerk dat tot nu toe door vrijwilligers werd verricht, nu wordt overgenomen door medewerkers in loondienst. De gemeente investeert eenmalig fors in de aanschaf van buitenspelmateriaal, ergonomisch meubilair en binnenspeelmateriaal. Daarnaast heeft de gemeente een structurele bijdrage toegezegd die neerkomt op een 50/50 verdeling van de kosten tussen de gemeente en ouders. Ten aanzien van de bijdrage van de ouders wordt een inkomensafhankelijke ouderbijdrage toegepast waarbij aandacht is voor de toegankelijkheid voor ouders met lagere inkomens.Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Liesbeth Nijkamp, projectleider peuterspeelzalen Yunio. Telefoonnummer 0314-359418 of 06-20634782. Nieuwe site is wegwijzer voor onderwijsachterstandenbeleidSinds 23 mei jl is de startpagina www.onderwijsachterstanden.nl in de lucht. De startpagina is een initiatief van het Procesmanagement Primair Onderwijs, het ministerie van Onderwijs , Cultuur en Wetenschappen, het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, CPS onderwijsontwikkeling en advies en Ideeën & Media Van Gelder en Partners en heeft als doel bestaande informatie eenvoudiger te ontsluiten. De deelnemers beheren allemaal eigen websites met informatie die betrekking heeft op onderwijsachterstanden en daaraan verwante onderwerpen zoals voortijdig schoolverlaten, voor- en vroegschoolse educatie, algemeen jeugdbeleid, taalbeleid, brede school et cetera. Met de startpagina www.onderwijsachterstanden.nl wordt deze informatie direct ontsloten via een link met de verschillende onderwerpen op de deelnemende sites. Voor beleidsambtenaren, lokale bestuurders en betrokken organisaties en instellingen wordt het nu eenvoudiger zoeken naar de informatie, wet- en regelgeving, methoden en praktijkvoorbeelden over onderwijsachterstandenbeleid. De startpagina kan in de toekomst uitgebreid worden met nieuwe deelnemers en nieuwe deelonderwerpen. Meer informatie over dit initiatief is te krijgen bij Jantine Kriens, telefoonnummer 070 -3632866 of Loes Phoelich 070 - 373 8344
|