|
BeleidLandelijk beleid / landelijke ontwikkelingen
1. PeuterspeelzaalwerkOnderzoek gemeentelijk peuterspeelzaalbeleid (1999)In het Algemeen Overleg van 16 juni 1999 van de vaste commissies voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Volksgezondheid, Welzijn en Sport over Piramide en Kaleidoskoop deelde de toenmalige staatssecretaris van VWS de kamer mede dat zij op korte termijn een representatief onderzoek naar het beleid van gemeenten met betrekking tot peuterspeelzalen zou afronden. Het onderzoeksrapport verscheen in september 1999. Het onderzoek werd in opdracht van de toenmalige staatssecretaris van VWS in overleg met de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en met medewerking van de VNG en de VOG (MOgroep) uitgevoerd. De achtergrond van het onderzoek was gelegen in signalen dat er in het beleid van gemeenten en ook in de sector zelf knelpunten leken te bestaan. Alhoewel gemeenten eerst verantwoordelijk zijn voor het peuterspeelzaalwerk, vond de staatssecretaris in deze signalen voldoende aanleiding nader onderzoek te laten doen om een meer precies beeld van ontwikkelingen en knelpunten te krijgen. Het onderzoek, een representatieve steekproef onder 61 gemeenten aangevuld met vier case-studies, bevestigde een aantal signalen. Er zijn positieve ontwikkelingen. Veel gemeenten vinden peuterspeelzaalwerk belangrijk en voeren een actief beleid. Er zijn echter ook knelpunten, zoals tekort aan capaciteit, gebrek aan middelen, gering bereik onder allochtone doelgroepen en het vrijwilligers- en semi-professionele karakter van deze voorziening, wat gevolgen heeft voor de kwaliteit. Daarnaast speelt de zwakke organisatorische en beheersvorm, met veel zogenaamde 'eenpitters' de sector parten. Er bestaan tenslotte aanzienlijke verschillen in de manier waarop gemeenten hun verantwoordelijkheid op dit terrein invullen. Het rapport was voor de staatssecretaris een belangrijk uitgangspunt om samen met de VNG en de VOG (MOgroep), in overleg met andere departementen en mede in samenhang met de gezamenlijke visie op jeugdbeleid in het kader van het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS), te bezien hoe de geconstateerde knelpunten kunnen worden aangepakt. Het onderzoeksverslag is te te bestellen bij: van Dijk, van Soomeren en partners BV. Tel: 020-6257537
Kwaliteitsregels peuterspeelzaalwerkEr komen op korte termijn landelijke regels voor de kwaliteit van de opvang in peuterspeelzalen. Die gaan over zaken als de inrichting van de ruimte voor de peuters, hygiëne veiligheid, groepsgrootte, opleiding van personeel, de wijze van omgaan met peuters en inspraak van ouders. Het kabinet heeft hiertoe besloten op voorstel van staatssecretaris Vliegenthart van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Momenteel gelden er ook al regels, maar die kunnen per gemeente sterk afwijken. Peuterspeelzaalwerk is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Met de nieuwe regels worden de eisen aan peuterspeelzalen vergelijkbaar met die van kinderopvang voor 0 tot 4-jarigen. Het kabinet heeft ook gesproken over de toekomst van de peuterspeelzalen en over de vraag of die op termijn onder de nieuwe Wet Basisvoorziening Kinderopvang (WBK) of onder onderwijswetgeving moeten vallen, of onderdeel blijven van het gemeentelijk jeugdbeleid. Hierover is nog geen beslissing genomen. Het kabinet vindt wel dat peuterspeelzalen voor alle inkomensgroepen toegankelijk moet blijven. Dit persbericht is op 18 januari 2002 door de Rijksvoorlichtingsdienst uitgebracht na afloop van de ministerraad. U kun hier een persbericht vna het ministerie van VWS downloaden: VWS - Landelijke kwaliteitsregels peuterspeelzalen
De praktijk van het peuterspeelzaalwerk (een onderzoek)Onderzoeksresultaten Regioplan bevestigen de grote diversiteit binnen het peuterspeelzaalwerk Omdat het ministerie van VWS behoefte had aan een actueel, overkoepelend beeld van de huidige praktijk binnen het peuterspeelzaalwerk werd aan het onderzoeksbureau Regioplan Onderwijs en Arbeidsmarkt, medio 2000 de opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren dat een dergelijk beeld zou kunnen opleveren. Het ministerie had behoefte aan een dergelijk beeld vanuit de constatering dat de peuterleeftijd een belangrijke leeftijdsfase in de vorming van kinderen is en het peuterspeelzaalwerk daarbij een belangrijke rol speelt. Niet alleen als welzijnsvoorziening, maar ook als voorbereiding op de basisschool. Op veel peuterspeelzalen wordt daarom niet meer alleen gespeeld, de peuterspeelzalen hebben ook educatieve doelstellingen. Een andere belangrijke ontwikkeling is de totstandkoming van de Wet Basisvoorziening Kinderopvang (WBK). Vooruitlopend op deze wet wordt in de hoofdlijnennotitie WBK het toekomstig stelsel voor kinderopvang geschetst. Of aspecten van het peuterspeelzaalwerk binnen deze wet een plaats krijgen, is nog niet besloten. Daarvoor heeft het Ministerie van VWS onder meer betrouwbare informatie nodig over de huidige stand van zaken. Belangrijke thema's in dit kader zijn het aanbod, het personeelsbeleid en de financiering. Het LPP heeft destijds zitting gehad in de begeleidingscommissie van het onderzoek. U kunt hier het gehele onderzoek downloaden: VWS - Peuterspeelzaalwerk in Nederland - huidige praktijk
'Grenzeloos leren', een verkenning naar onderwijs en onderzoek in 2010Op 28 augustus 2001 presenteerde het kabinet KOK het stuk 'Grenzeloos leren', ook wel 'De Verkenning Onderwijs en Onderzoek' genoemd. In de Verkenning staat te lezen dat onderwijs en onderzoek de komende jaren voor grote uitdagingen staan. In de Verkenning geven de toenmalige minister Hermans en staatssecretaris Adelmund een overzicht van maatregelen om deze uitdagingen het hoofd te bieden. Bij veel onderwerpen gaven zij echter niet één oplossing, maar schetsten zij meerdere alternatieve mogelijkheden en maatregelen. Samenleving en kabinet zouden hieruit, aldus de toenmalige minister en de staatssecretaris, een keuze moeten maken. In de verkenning werd ook geconstateerd dat er steeds meer aandacht voor educatie van 0 - 4 jarigen. Vanuit het Ministerie van OC&W werd geconstateerd dat het grote belang van goede voorschoolse educatie verdergaande maatregelen rechtvaardigen. Er werden ten aanzien van de voorschoolse educatie drie opties gegeven. In 'Grenzeloos leren' werd verder geconcludeerd dat de voorschoolse educatie van peuters en kleuters veel meer aandacht verdient, dan nu het geval is. De toenmalige minister Hermans en staatssecretaris Adelmund vroegen zich af, of het misschien niet veel effectiever zou zijn het beleid voor deze groep onder te brengen bij één ministerie. Geconstateerd werd dat momenteel de kwaliteit, doelmatigheid en toegankelijkheid van de voorschoolse educatie te wensen overlaat. Dat moet dus beter. Het grote belang van goede voorschoolse educatie rechtvaardigt stevige ingrepen, aldus de Verkenning. De Verkenning gaf daarvoor drie opties:
Een ieder kan via internet zijn of haar mening geven via www.onderwijsdebat.nl (website Ministerie OC&W). De gehele verkenning is te downloaden: Verkenning onderwijs en onderzoek (Word-formaat).
Beleidsbrief PeuterspeelzaalwerkIn het Kamerdebat over de hoofdlijnennota Wet Basisvoorziening Kinderopvang (WBK) van 4 december 2000 is de staatssecretaris van VWS gevraagd te onderzoeken of het mogelijk is het peuterspeelzaalwerk (op o.a. de onderdelen kwaliteit en toegankelijkheid) onder de werkingssfeer van de WBK te brengen. De beleidsbrief Peuterspeelzalen, die in januari jl door mw. Vliegenthart, mede namens staatssecretaris Adelmund van onderwijs, naar de 2e Kamer werd verzonden is het antwoord van de staatssecretaris op de vraag van de 2e Kamer. Het resultaat van het onderzoek van Regioplan werd als bijlage eveneens naar de 2e Kamer verzonden. Beleidsbrief peuterspeelzaalwerk.
Tijdelijke regeling vroegsignaleringHet vorige kabinet gaf hoge prioriteit aan de aanpak van de achterstandsproblematiek van grote groepen kinderen die ten gevolge van hun specifieke levensomstandigheden of ontwikkelingsstoornis risico lopen op ontwikkelingsachterstanden. Het Kabinet stelde zich ten doel om (dreigende) achterstanden van kinderen op jonge leeftijd aan te pakken. Daartoe hoort uiteraard ook de aanpak vanuit de optiek van de volksgezondheid. Afgesproken is dat het Rijk medeverantwoordelijkheid neemt voor het faciliteren van de consultatiebureaus om extra inspanningen te kunnen leveren in het maatwerkdeel van het basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg (JGZ), waartoe het kabinet vanaf 2001 structureel fl. 35 mln. extra beschikbaar heeft gesteld voor de noodzakelijke professionalisering en extra taken. De middelen zullen worden ingezet voor globaal de volgende door consultatiebureaus uit te voeren taken:
De doelgroep bestaat uit kinderen van 0 tot 4 jaar. Om te realiseren dat daadwerkelijk alle kinderen uit de doelgroep worden bereikt, is het nodig dat ouders uit achterstandsgroepen met kinderen van zeer jonge leeftijd (kunnen) worden aangesproken. Consultatiebureaus spelen hierin vanwege hun grote bereik een belangrijke rol. Voor een effectieve signalering, doorverwijzing, motivering en begeleiding van ouders is een sluitend netwerk van in ieder geval consultatiebureaus, GGD-en, peuterspeelzalen en basisscholen vereist. VWS - Samenvatting tijdelijke regeling vroegsignalering
Visiedocument 'Peuterspeelzaalwerk in de 21e eeuw'De Mogroep (voorheen de VOG) presenteerde 9 november 2001 het 'Visiedocument Peuterspeelzaalwerk'. Dit document is het resultaat van veel discussiebijeenkomsten waar 210 organisaties (met 1200 speelzalen) visie-bouwstenen aandroegen. Het visiedocument, resultaat van het VOG-project 'Sterk peuterspeelzaalwerk'. In het visiedocument wordt de kernopdracht van het peuterspeelzaalwerk als volgt geformuleerd: Het creëren van optimale ontwikkelingskansen voor alle kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar door het aanbieden van veelzijdige en passende speelmogelijkheden. Direct afgeleid van en voortvloeiend uit deze kernopdracht worden de volgende kerntaken benoemd:
In het verlengde van bovenstaande kernopdracht hebben peuterspeelzalen ten aanzien van ouders een opdracht op het gebied van afstemming, informatie-uitwisseling en overleg. Tevens vervullen peuterspeelzalen voor ouders een belangrijke "vraagbaakfunctie": het is een laagdrempelige voorziening waar opvoedingsuitwisseling plaatsvindt en een plek waar ouders diverse opvoedingsvragen en -problemen neerleggen. Een peuterspeelzaal heeft daarin een verwijzende opdracht en fungeert als intermediair bij het tot stand brengen van een opvoedingsondersteunend aanbod. Gerichte opvoedingsondersteuning is geen kernopdracht van het peuterspeelzaalwerk, maar dient door daarin gespecialiseerde voorzieningen uitgevoerd te worden. Een peuterspeelzaal is geen voorziening voor "probleemkinderen", maar een algemene basisvoorziening waar alle kinderen evenredig en vrijwillig gebruik van moeten kunnen maken. Definitie van de peuterspeelzaal:Een peuterspeelzaal is: een ontwikkelingsgerichte preventieve basisvoorziening voor kinderen van 2 tot 4 jaar.
Het visiedocument is te bestellen bij de MO-groep: Postbus 3332, 3502 GH Utrecht. Tel: 030 298 34 39. Ook te bestellen via www.mogroep.nl
Arbo - convenant ook voor peuterspeelzalenDe Arbeidsomstandighedenwet verplicht de werkgever arbeidsomstandighedenbeleid te voeren. Uit deze wet voortvloeiend dient er beleid gevoerd te worden t.a.v. ergonomische aspecten in het peuterspeelzaalwerk. Het arbo-convenant 'Kinderopvang' is uitgebreid met afspraken over fysieke belasting in peuterspeelzalen. De afspraken zijn door de convenantpartijen, werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties en de staatssecretarissen van VWS en SZA, ondertekend en gepubliceerd in de Staatscourant 2000, nr. 5 / pag. 11 3 In het najaar van 1995 nodigde de Arbeidsinspectie sociale partners uit voor overleg. Reden hiervoor was dat de Arbeidsinspectie, op basis van eigen onderzoek en onderzoek door TNO tot de conclusie was gekomen dat het noodzakelijk was om de fysieke belasting in de kinderopvang terug te dringen. Dit werd bevestigd door een onderzoek dat het toenmalige NIA in opdracht van sociale partners heeft uitgevoerd naar arbo-risico's in de sector. Als resultaat van dit overleg is op 11 december 1997 door de werkgeversorganisatie VOG, de vakbonden CFO CNV-bond en ABVAKABO FNV en de Arbeidsinspectie (als uitvoerende dienst van het ministerie van SZW) een brancheovereenkomst getekend waarin afspraken zijn vastgelegd met als doel de fysieke belasting in de kinderopvang terug te dringen. De brancheovereenkomst heeft betrekking op hele en halve dagopvang van kinderen van 0 tot 4 jaar, en buitenschoolse en naschoolse opvang voor kinderen tussen 4 en 12 jaar. De betrokken partijen spraken toen de intentie uit dat binnen een jaar na aanvang het convenant aan te vullen met afspraken over fysieke belasting bij peuterspeelzalen. Op basis van onderzoek naar de toepasbaarheid en zo nodig aanpassing van de normen voor peuterspeelzalen zullen door partijen afspraken gemaakt worden over de implementatie en de handhaving van die (eventueel aangepaste) normen. Nadat dit onderzoek was afgerond, vormden de resultaten hiervan voor de betrokken partijen een aanleiding om het convenant aan te vullen met afspraken over peuterspeelzalen in de vorm van een addendum. In 2005 dienen alle peuterspeelzalen aan de normen te voldoen. De uitvoering van het convenant is ondergebracht bij het Sectorfonds Welzijn. Momenteel is de nulmeting in de kinderopvang zo goed als afgerond. Op basis van de resultaten stelt de BrancheBegeleidingsCommissie (BBC) jaarlijkse streefdoelen vast voor het aantal organisaties dat moet voldoen aan de normen. Later volgt een tussen- en eindmeting. Wat betreft peuterspeelzalen geeft het eerder genoemde onderzoek een goed beeld van de huidige stand van zaken met betrekking tot fysieke belasting in peuterspeelzalen. Dit onderzoek kan als nulmeting beschouwd worden in een monitoring-cyclus. Later volgt eveneens een tussen- en eindmeting. Voor de kinderopvang zijn brochures ontwikkeld 'Ergonomie in de kinderopvang', 'Koopwijzer voor meubilair in de kinderopvang' en 'De meest gestelde vragen over hoogzitten'. Voor peuterspeelzalen zal een speciale versie 'Ergonomie in peuterspeelzalen' worden gemaakt. Omdat peuterspeelzalen nog aan het begin van een professionaliseringsproces staan, zullen extra middelen nodig zijn voor voorlichting en het creëren van draagvlak.Een belangrijke voorwaarde voor het terugdringen van fysieke belasting is een verantwoorde inrichting van de werkplek. Sociale partners hebben gedurende het jaar 2000 overheidsmiddelen beschikbaar gesteld voor een stimuleringsregeling voor de kinderopvang. Werkgevers konden dan onder voorwaarden een tegemoetkoming ontvangen voor de aanschaf van ergonomisch meubilair. Een soort gelijke regeling is voor het jaar 2001 voor de peuterspeelzalen afgekondigd. www.arbo-peuterspeelzalen.nl
Stimuleringsmaatregel Ergonomie Peuterspeelzalen 2002Begin 2002 viel de 'Stimuleringsregeling Ergonomie Peuterspeelzalen 2002' met het aanbod "Wij betalen de helft van uw nieuwe meubilair" (in 2002) bij alle speelzalen op de mat . De stimuleringsregel is een direct gevolg van het ARBO-convenant. www.arbo-peuterspeelzalen.nl
Educatief centrum voor ouder-en-kind (RMO advies juni 2002)Het betreft hier een advies van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO). Het advies is geformuleerd naar aanleiding van een adviesaanvraag (1 maart 2002) door de vorige staatssecretaris van VWS, mede namens de vorige staatssecretaris van OC&W. De Raad werd gevraagd een advies uit te brengen over het thema Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). Het advies verscheen in juni jl. De RMO is een onafhankelijk en strategisch adviesorgaan. De Raad adviseert de regering over vraagstukken die de participatie en de stabiliteit van de samenleving betreffen. De RMO bestaat uit 9 kroonleden en staat onder voorzitterschap van prof. dr. H.P.M. Adriaanse. Het advies is te bestellen bij de RMO. (Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling), Postbus 16139, 2500 BC Den Haag. Telefoon: 070 340 52 94. Internet: www.advies-orgaan-rmo.nl "Het nieuwe educatieve ouder-en-kindcentrum vormt de spil voor zorg, welzijn en taalontwikkeling van jonge kinderen. Daarmee kan het verontrustend grote aantal kinderen met aanzienlijke taal- en ontwikkelingsachterstanden worden teruggedrongen. De basisscholen merken dat het huidige beleid voor voor- en vroegschoolse educatie te verbrokkeld is en niet aan zijn doelstellingen beantwoordt. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) adviseert het beleid voor deze kinderen grondig te reorganiseren. Veel allochtone kinderen en kinderen uit laag sociale autochtone gezinnen kampen al met zulke problemen als ze op de basisschool komen, dat de school ze moeilijk kan opvangen. Ouders en kinderen van de doelgroep worden onvoldoende bereikt. De RMO geeft op verzoek van het kabinet een visie op de voor- en vroegschoolse opvang, dus voor kinderen tussen nul en zes jaar. De Raad gaat hierbij uit van het gezin in zijn sociale leefomgeving. Wie een goed aanbod wil doen voor zorg, welzijn en taalontwikkeling van kinderen moet aansluiten op de leefwereld van ouders en hun kinderen. De schoolse situatie doet dat onvoldoende. De RMO kiest voor educatieve centra voor ouder en kind in iedere gemeente. Het is een wezenlijke bijdrage aan de noodzakelijke verbetering van de pedagogische infrastructuur. Deze vertoont vele gaten. Het is niet goed vanuit 'Den Haag' de hulp en steun aan ouders met peuters en kleuters tot in detail te organiseren. Een lokaal educatief centrum voor ouder en kind moet voor het beleid inzake voor- en vroegschoolse opvang de regie voeren. De uitvoering van de programma's kan plaatsvinden in en vanuit dit centrum. Daarbij kan zij voor de uitvoering van programma's aansluiten bij organisaties die dicht bij de doelgroepen staan. Zoals het consultatiebureau, de brede school of de basisschool, de peuterspeelzaal, het buurthuis of een zelforganisatie. Of bij minder voor de hand liggende voorzieningen, zoals religieuze centra. Indien nodig kunnen ook vanuit het centrum gezinnen actief thuis benaderd worden voor een programma". Aldus het ministerie van VWS. Samenvatting van het advies (zie Archief, LPP-Nieuwsbrief 11). Downloaden advies: Educatief centrum voor ouder en kind
Spelenderwijs. Kindercentrum en basisschool hand in hand (advies Onderwijsraad juni 2002)Het gaat hier om een adviesaanvraag (1 maart 2002) door de toenmalige staatssecretaris van VWS mede namens de staatssecretaris van OC&W. De Onderwijsraad werd ook gevraagd advies uit te brengen over het thema Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege. De Raad adviseert gevraagd en ongevraagd over hoofdlijnen van het beleid en wetgeving op het gebied van onderwijs. De raad bestaat uit 16 leden, die op persoonlijke titel zijn benoemd en staat onder voorzitterschap van prof. dr. A.M.L. van Wieringen. Samenvatting advies zie Archief, LPP-Nieuwsbrief 11. De gehele tekst is te downloaden op: www.onderwijsraad.nl/Doc/spelenderwijs.pdf. Het rapport is tevens te bestellen bij de Onderwijsraad. Onderwijsraad, Nassaulaan 6, 2514 JS Den Haag. Telefoon: 070 - 310 00 00. Internet: www.onderwijsraad.nl)
Verbetering (pedagogische) kwaliteit peuterspeelzalen (SPEEL)Het project SPEEL wil peuterspeelzaalteams helpen om de (pedagogische) kwaliteit in hun peuterspeelzaal te verbeteren.
Hoe werkt SPEEL?Elke peuterspeelzaal die werkt met SPEEL heeft een eigen begeleider. Speelzaalteam en begeleider nemen samen de kwaliteit van de speelzaal onder de loep: hoe staat het ervoor en wat kan nog beter? Daarbij kijken ze naar de interne kwaliteit, maar ook of de speelzaal meer kan samenwerken met ander instellingen, zoals basisscholen, en of het misschien nodig is de ouders meer te betrekken bij het reilen en zeilen van de speelzaal. Ook kijken ze of alle groepen kinderen uit de buurt wel genoeg bereikt worden. Dit gebeurt in vier fasen, die samen een tot anderhalf jaar in beslag nemen. Eerst brengen begeleider en team de kwaliteit van de peuterspeelzaal in kaart. In de tweede fase stellen ze samen een actieplan op, dat in fase drie wordt uitgevoerd. De vierde fase is er een van reflectie: het proces van kwaliteitsverbetering wordt geëvalueerd, en plannen worden bijgesteld of aangevuld.
Voor wie?SPEEL is geschikt voor alle peuterspeelzalen die willen werken aan kwaliteit. Vooral peuterspeelzalen die extra kansen willen bieden aan kinderen met (een verhoogd risico op) ontwikkelingsachterstanden kunnen hun voordeel doen met SPEEL. SPEEL is al in meerdere gemeenten opgenomen als onderdeel van het lokale onderwijsachterstandenbeleid. Contact : dr. Hans Meij, e-mail: h.meij@nizw.nl Telefoon 030 230 64 12
Stroomlijning samenwerking Peuterspeelzalen en basisscholenOm de samenwerking tussen de speelzalen en basisscholen te stroomlijnen heeft Stichting De Meeuw de map Peuters en kleuters uitgegeven. De map beschrijft mogelijkheden, uitgangspunten, randvoorwaarden en regelingen. Verdere professionalisering van voor- en vroegschoolse voorzieningen sluit aan bij het Rotterdamse 'Tweede Thuisproject'. Els Kuyper, oud-wethouder Onderwijs en Jeugdbeleid schrijft in het voorwoord van de map Peuters & Kleuters: 'Met de Operatie 'Tweede Thuis' hopen we elk kind een veilige en stimulerende opvangmogelijkheid te bieden, naast de plek in het gezin thuis. Veel jonge kinderen in Rotterdam kunnen een steuntje in de rug goed gebruiken, bijvoorbeeld omdat ze thuis een andere taal spreken. Voor hen is een peuterspeelzaal die samenwerkt met een basisschool een goede plek waar ze hun speelervaring kunnen verruimen.' 'Peuters & kleuters, Een handreiking tussen peuterspeelzaal en basisschool'. 1999. Stichting De Meeuw, Postbus 57689, 3008 BR Rotterdam, telefoon (010) 486 30 22. e-mail: stichting@de-meeuw.nl. Internet www.de-meeuw.nl
Peuterspeelzalen: we krijgen te weinig aandacht en te weinig geld(ABVAKABO-persbericht september 2001) In opdracht van ABVAKABO FNV zijn twee onderzoeken uitgevoerd naar de voortgang van de professionalisering binnen de peuterspeelzalen. In de regio's Zuidoost Brabant en Zuid-Limburg onderzochten studenten van hogescholen de situatie in 43 peuterspeelzalen in relatie tot de betrokken gemeenten. De onderzoeken bevestigen het beeld dat ABVAKABO FNV heeft van de peuterspeelzalen in ons land; er is te weinig aandacht voor de speelzalen en er wordt te weinig geld beschikbaar gesteld. Een paar cijfers uit de onderzoeken: In 60 procent van de peuterspeelzalen werken twee leidsters waarvan er één betaald wordt en de ander vrijwillig werkt. Tevens bevinden zich in die groepen meer dan 14 kinderen. De norm in de Kinderopvang is 2 leidsters op 14 kinderen van 2 en 3 jaar. In Limburg vindt 80 procent van de onderzochte peuterspeelzalen dat de overheid onvoldoende aandacht heeft voor het peuterspeelzaalwerk. Daarnaast geeft de helft van de ondervraagden aan 'niet voldoende' financiële middelen te ontvangen om de organisatie professioneel in te richten. 39 procent vindt het zelfs 'veel te weinig'. Driekwart van de onderzochte speelzalen in Brabant vindt dat de invloed van het gemeentelijk beleid op het peuterspeelzaalwerk zeer groot is. In 22 procent van de gevallen wordt aangegeven dat er geen subsidie wordt ontvangen. In 75 procent van de peuter-speelzalen vindt men de subsidie een onzekere factor en een beperking in de manier van werken. Meer Informatie: Ger Dragstra, bestuurder Welzijnswerk 06-51218382
Opdracht Inventgroep (April 2005)In het najaar van 2004 benoemde Staatssecretaris Ross een commissie die zij Inventgroep noemde. Deze groep kreeg drie opdrachten die kortweg als volgt luiden:
De commissie bestaat uit vier, volgens de Staatssecretaris bevlogen, wetenschappers te weten prof. Jo Hermanns, prof. Marianne Junger, Dr. Ferko Öry en prof. dr. Guus Schrijvers. Marjolijn Blom is secretaris van de commissie. Eind maart waren de inventarisaties globaal gereed maar niet in een tekst uitgeschreven. Op 31 maart en 1 april ontmoette de Inventgroep beleidsmakers en professionals zoals consultatiebureau-artsen, schoolartsen en ander professionals uit de jeugdzorg om op Power Point presentaties de inventarisaties te tonen en om met hun hierover van gedachten te wisselen. Een uitnodigingsbrief ging er uit naar alle hoofden en directeuren van jeugdgezondheidszorg instellingen, instituten en koepelorganisaties in Nederland (maar niet naar het LPP). Ook nodigden Inventgroepleden collega's uit hun eigen wetenschappelijk en maatschappelijk netwerk uit om van gedachten te wisselen over de screeningsinstrumenten, interventies en randvoorwaarden. De ontmoetingen vonden plaats in het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht. Wil je alsnog met hen discussiëren over screeningsinstrumenten, interventies en randvoorwaarden? Stuur dan een email naar Marjolijn Blom op Inventgroep@umcutrecht.nl. Vermeld de dag en het tijdstip waarop je wilt komen. Via emailcontacten maken zij de afspraak definitief.
Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) (September 2005)AlgemeenGemeenten worden met de Wmo verantwoordelijk voor maatschappelijke ondersteuning. Maatschappelijke ondersteuning omvat activiteiten die het mensen mogelijk maken om mee te doen in de samenleving. Het gaat bijvoorbeeld om sociale activering, ondersteunen van mantelzorg en voorlichtingsloketten. Het begrip maatschappelijke ondersteuning is in de Wmo verwoord in negen prestatievelden. Het ministerie van VWS geeft de kaders aan waarin elke gemeente haar eigen beleid kan maken. Een beleid dat afgestemd is op de wensen en samenstelling van de inwoners. De komst van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning maakt nogal wat los.Veel taken en verantwoordelijkheden op het terrein van zorg en welzijn komen de komende jaren terecht bij de burger en de gemeenten. Een goede keten wonen, welzijn, zorg en veiligheid staat hierbij centraal. Ook wordt het erg belangrijk hoe de afzonderlijke organisaties hun eigen en hun gezamenlijke producten en diensten goed in de markt zetten. We hebben een goede infrastructuur nodig, goede welzijnsvoorzieningen, een goede zorg en een woonomgeving die aantrekkelijk en veilig is en waar men in positieve zin op elkaar let. VerantwoordingHoewel de gemeenten straks verantwoording moeten afleggen aan de eigen inwoners, zijn er wel een aantal kaders opgesteld waar de gemeente beleid op moet formuleren. Deze kaders worden de prestatievelden genoemd. De Wmo bepaalt dat gemeenten hun beleid op deze prestatievelden moet vastleggen in een beleidsplan. Er zijn negen prestatievelden:
Peuterspeelzaal en WMODe positie van de peuterspeelzaal in het krachtenveld van welzijns- en zorgaanbieders. Binnen het krachtenveld van welzijns- en zorgaanbieders kan de peuterspeelzaal onder druk komen te staan. Zorgorganisaties zijn al langer bezig met de voorbereiding op de WMO terwijl het denken over de WMO bij welzijnsorganisaties net begint. De peuterspeelzaal staat voor de vraag “welke plek nemen we in binnen de keten wonen, welzijn, zorg en veiligheid?” Zij zal haar positie moeten bepalen en zichzelf moeten profileren door duidelijk te maken welke toegevoegde waarde en kwaliteit zij biedt. Wees hier alert op in de huidige aanloop naar de gemeenteraadverkiezingen. Het is handig om de gemeente tijdig te benaderen met een aanbod wat past bij het vraagstuk WMO dat de gemeente moet oplossen. Veel zal verder afhangen van de gemeenteraad. Die maakt straks de keuzes. Peuterspeelzalen zullen hard moeten werken om de raad duidelijk te maken dat elke euro die je investeert in Welzijn 10 euro aan kosten voor Zorg kan besparen. Twee scenario’s voor implementatie van de WMOVerschillende gemeenten in Zuid-Holland zijn actief bezig met de voorbereiding op de WMO die als het parlement het goedkeurt op 1 juli 2006 ingaat. Sommige gemeenten kiezen daarbij voor een beknopt scenario waarbij ze zorgen dat ze op korte termijn aan de minimale eisen van de wet voldoen. Andere gemeenten kiezen voor een uitgebreid scenario. De gemeente bekijkt het gehele welzijnsbeleid in combinatie met andere beleidsterreinen zoals veiligheid, wonen en zorg en geeft hier opnieuw integraal vorm aan (herijken). PilotgemeentenEen aantal gemeenten uit Zuid-Holland hebben zich opgegeven als pilotgemeenten voor de WMO. In deze gemeenten worden onder begeleiding bepaalde onderdelen van de WMO ontwikkeld en uitgetest. Tevens fungeert deze gemeente als ambassadeur voor een schil van geïnteresseerde gemeenten rondom deze gemeente heen die meedenken en door de ambassadeurgemeente geïnformeerd worden. In Zuid-Holland zijn de volgende gemeenten pilotgemeente:
Websites WMOOp de volgende websites kunt u meer informatie vinden over de WMO:
2. Lokaal jeugdbeleidBestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS)In het kader van het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (Bans) hebben rijk, provincies en gemeenten op het gebied van jeugdbeleid een gezamenlijke visie geformuleerd die is vastgelegd in "Jeugdbeleid in Ba(la)ns" (Den Haag, 1999). Begin 2001 is in dit kader de Bans bezoekcommissie Jeugdbeleid ingesteld, met als opdracht om gemeenten, provincies en departementen te bezoeken om met hen van gedachten te wisselen over de ontwikkeling van gezamenlijk jeugdbeleid. Tijdens deze bezoeken heeft een open uitwisseling plaatsgevonden. Niet alleen over de successen van het gevoerde beleid, maar ook over de knelpunten die overheden bij ontwikkeling en uitvoering van beleid ondervinden. Op grond van haar bezoeken beschrijft de commissie in dit eindrapport een aantal good practices en doet zij aanbevelingen voor de verdere gezamenlijke ontwikkeling van jeugdbeleid door de overheden. Bans in het land
Project Lokaal jeugdbeleid (VNG)Het project Lokaal jeugdbeleid is een project van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten). Door middel van dit project ondersteunt de VNG gemeenten bij de ontwikkeling en uitvoering van lokaal jeugdbeleid. Het project gaat uit van het creëren van kansen en het versterken van voorzieningen voor alle jeugd. Bij het project zijn de ministeries van VWS, BZK en OC&W nauw betrokken. Het project loopt door tot januari 2003. Een deelproject heeft betrekking op de Voor en Vroegschoolse Educatie (VVE) en een ander deelproject heeft betrekking op het Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid (GOA) www.lokaaljeugdbeleid.nl
Naar een agenda voor de jeugdIn deze notitie over jeugdbeleid bepleiten de auteurs een nieuw bestuursmodel dat recht doet aan de ambities van het rijk, maar de gemeenten voldoende ruimte laat om een lokaalspecifiek beleid te voeren. Een centraal element hierin is de agenda voor de jeugd. Op basis van een analyse van de maatschappelijke ontwikkelingen, verspreide onderzoeksgegevens over de huidige situatie van de lokale jeugdvoorzieningen en eigen inzichten dragen de auteurs bouwstenen aan voor deze Agenda van de jeugd. Sociaal en Cultureel Planbureau concludeert: Zolang de basisvoorwaarden van voor de peuterspeelzalen niet voldoende zijn gerealiseerd, lijkt het nastreven van de plusfuncties prematuur. 'Naar een agenda voor de jeugd. Voorstellen voor een positief lokaal jeugdbeleid'. Den Haag, 2002. Naar een agenda voor de jeugd.
3. Landelijke activiteiten VVEBeleidsbrief voor- en vroegschoolse educatie, juni 2000Begin juni 2000 hebben de voormalige staatssecretarissen van OcenW en VWS een Beleidsbrief voor- en vroegschoolse educatie naar de Tweede Kamer gestuurd. Eind juni 2000 is de beleidsbrief VVE verschenen. Voor- en Vroegschoolse Educatie is van essentieel belang voor het voorkomen van onderwijsachterstanden. Het vorige Kabinet gaf daarom hoge prioriteit aan Voor- en Vroegschoolse Educatie: "Doelstelling is om uiteindelijk alle kinderen in een achterstandsituatie te bereiken en hen optimale ontwikkelingskansen te bieden, met als resultaat een aanzienlijke reductie van hun taal- en ontwikkelingsachterstand aan het begin van hun schoolloopbaan. Het gaat daarbij om ongeveer 200.000 kinderen in de leeftijdsgroep van 2 tot en met 5 jaar, zowel kinderen uit etnische minderheidsgroepen als autochtone kinderen met laagopgeleide ouders die risico lopen." In de beleidsbrief gaf het vorige Kabinet zijn aanpak van het VVE-beleid en werden het beleidskader en de concrete maatregelen waarmee dat wordt gerealiseerd geschetst. Parallel met deze beleidsbrief VVE wordt ook het actieplan Onderwijskansen in bespreking gebracht. De maatregelen die voortvloeien uit de beleidsbrief VVE kwamen als samenvatting terug in het Onderwijskansenplan. U kunt hier de Beleidsbrief VVE downloaden: Beleidskader voor- en vroegschoolse educatie
Regeling VVEMet ingang van 1 mei 2000 is de Regeling voor- en vroegschoolse educatie in werking getreden. Het doel van de regeling is de uitbreiding van de deelname van het aantal drie- tot vijfjarigen met grote (taal)achterstand aan effectieve voor- en vroegschoolse programma's te realiseren teneinde de (taal)achterstand in groep 3 van het basisonderwijs te voorkomen. Effectieve programma's moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
De regeling is van toepassing op gemeenten waarin één of meer basisscholen of nevenvestigingen zijn gelegen waarvan 70% of meer van de leerlingen op de teldatum 1 oktober 1999 een leerlingengewicht hebben (1,25 1,4 1,7 1,9). De regeling werd per 6 oktober 2000 vervangen door een nieuwe regeling VVE. Het aantal gemeenten vallend onder de regeling werd uitgebreid van 96 naar 172 en het percentage van 70 werd verlaagd naar 50%. In de Rijksbegroting 2001 en bij de behandeling van de Voorjaarsnota werden medio 2001 opnieuw extra middelen vrijgemaakt voor het bevorderen van een verdere uitbreiding en professionalisering van de voor- en vroegschoolse educatie in Nederlandse gemeenten. Met de extra middelen werd het mogelijk het aantal gemeenten uit te breiden dat in aanmerking is gekomen voor VVE-middelen tot 318 gemeenten. Deze regeling is op 1 augustus 2001 in werking getreden. Te downloaden: Aanvullende regeling uitbreiding VVE, juli 2001.
Het Transferpunt OnderwijsachterstandenVanaf 1 augustus 2002 bestaat het Transferpunt Onderwijsachterstanden. Het Transferpunt is ingesteld door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Vanuit het Transferpunt moet de uitvoering van het onderwijsachterstandenbeleid gecoördineerd worden en de ondersteuning zo effectief mogelijk worden gemaakt. Het Transferpunt is een samenwerkingsverband van het ministerie met de besturenorganisaties en de VNG omdat in het onderwijsachterstandenbeleid de verantwoordelijkheden van rijk, gemeenten en schoolbesturen benadrukt zijn. www.onderwijskansen.nl.
Veel actuele ontwikkelingen op www.vveducatie.nlVerslag slotconferentie Makelaar VVEIeder kind heeft recht op een goede start! Wat hebben de activiteiten van de Makelaar VVE in de afgelopen twee jaar opgeleverd? Hoe moet het in de toekomst verder? Deze twee vragen stonden centraal op de slotconferentie van de Makelaar VVE op 4 november 2002 in Eindhoven en in de slotbrochure die op die dag is uitgereikt. De werkzaamheden van de Makelaar VVE zijn daarmee beëindigd. Het landelijk VVE-beleid heeft veel in gang gezet. Vanaf nu moet het worden ingebed in het gemeentelijk jeugd- en onderwijs(achterstanden)beleid. Dat vereist een duidelijke visie op maatschappelijke opvoedingsdoelen en de pedagogische verantwoordelijkheid van de overheid. Bovendien valt of staat de noodzakelijke versterking van de pedagogische en educatie-ve infrastructuur met grootschalige investeringen in basisvoorzieningen, zo luidt de boodschap. Wordt daarmee niet voorbij gegaan aan de belangen van de doelgroepen van het onderwijsachterstandenbeleid?! is een expliciete vraag van enkele congresgangers. Uiteraard is dat geenszins de bedoeling. Dat er duurzaam sprake moet zijn van extra investeringen in een gedifferentieerd en geïntensiveerd aanbod voor kinderen die al vroegtijdig het risico lopen om geconfronteerd te worden met onderwijs- en ontwikkelingsachterstanden staat buiten kijf! Maar dat kan prima en zelfs beter op basis van interne differentiatie binnen breed toegankelijke basisvoorzieningen. En kies je voor aparte voorzieningen of exclusieve prioritering van doelgroepen, dan worden veel ‘doelgroepkinderen’ niet bereikt en staat dat op gespannen voet met uitgangspunten en doelstellingen op het terrein van sociale cohesie en integratie. Het behoort tot de taak van het onlangs gestarte Transferpunt Onderwijsachterstanden om enkele taken van de Makelaar op het terrein van landelijke coördinatie, afstemming en samenhang in ondersteuning en uitvoering van VVE-beleid voort te zetten, zodat de VVE-doelstellingen uit het Landelijk Beleidskader Onderwijsachterstandenbeleid ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Kernthema’s en conclusiesHet jonge kind staat op de agenda. Landelijk VVE-beleid is ingezet om (dreigende) achterstanden van kinderen op jonge leeftijd te signaleren en aan te pakken; uiteindelijk moeten alle kinderen in een achterstandsituatie worden bereikt, zodat zij met een geïntensiveerd VVE-aanbod optimale ontwikkelingskansen krijgen. Alleen zo kunnen taal- en ontwikkelingsachterstanden aan het begin van de school-loopbaan aanzienlijk worden gereduceerd. Stimulering en ondersteuning van opvoedingscompetentie en actieve betrokkenheid van ouders bij de ontwikkeling en het onderwijs van hun kinderen zijn daarbij belangrijke pijlers. “Ieder kind heeft recht op een goede start” is dan ook het motto van de slotconferentie en de slotbrochure die is uitgebracht. Hierin wordt door allerlei deskundigen uit wetenschap, beleid en praktijk ingegaan op de opbrengsten van het beleid en wat er nog nodig is om de pedagogische en educatieve infrastructuur zodanig te versterken dat ook ieder kind de goede start krijgt die het verdient. Het begint met opvoedenHet motto van de inleiding van Jo Hermanns – het begint met opvoeden - is ingegeven door het uitgangspunt dat we als samenleving de jeugd van jongs-af-aan kansen en steun moeten bieden om te kunnen opgroeien en te worden opgevoed en onderwezen tot sociale, verantwoordelijke en actief betrokken burgers. “Kinderen moeten ervaren dat ze de moeite waard zijn en dat ze in staat worden gesteld om zich te ontwikkelen, actief te participeren en gaandeweg te leren om ook zelf verantwoordelijkheid te dragen voor de sociale verbanden en de samenleving waar zij deel van uitmaken.” Tijd voor beleid met visieHet is een opbrengst van het integraal jeugdbeleid en het landelijk VVE-beleid, dat er gaandeweg sprake is van een meer fundamentele heroriëntatie op de maatsschappelijke medeverantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van de jeugd. Door verschillende inleiders en auteurs wordt gepleit voor een brede pedagogische visie op de relatie tussen jonge kinderen en de samenleving. “Een goed beleid is dus niet een educatief beleid, met uitstapjes naar andere domeinen, maar een ontwikkelingsgericht beleid, waarbij een samenhangende aanpak door de domeinen heen gevoerd wordt”, aldus Jo Hermanns; “Dat vraagt om formulering van maatschappelijke opvoedingsdoelen voor de jeugd en ontwikkelingsgerichte samenwerking tussen alle met jonge kinderen werkende voorzieningen in wijken en buurten”. Maar dat mag in relatie tot VVE en de ontwikkeling van brede scholen niet leiden tot een te eenzijdig accent op onderwijsdoelen en achterstandsbestrijding: “Zo’n smalle benadering - waarbij voorbij wordt gegaan aan de brede ontwikkeling van kinderen en domeinen, zoals opvoedingsondersteuning, spel en ontspanning, kinderopvang en hulpverlening gepositioneerd worden als activiteiten ter ondersteuning van het educatieve proces in school - heeft uiteindelijk een averechts effect." Overheden moeten samen investeren in de basisMomenteel ontbreekt het aan een goed functionerende pedagogische en educatieve infrastructuur. Onderzoek laat zien, dat bij gebrek aan budgetten voor structurele versterking en uitbreiding van basisvoorzieningen vooral wordt geïnvesteerd in een veelheid van tijdelijke projecten van (te) beperkte omvang die bovendien onvoldoende zijn afgestemd op de behoeften van de verschillende doelgroepen. Daarbij ontbreekt het bovendien aan onderlinge afstemming en samenhang. Ook de landelijke VVE-doelstellingen en de zeer gevarieerde operationalisatie daarvan in de praktijk - een grote mate van diversiteit qua inhoud, kwaliteit, organisatie en bereik door middel van allerlei projecten en vve-progamma’s, die bovendien vooralsnog geen vertaling hebben gevonden in de initiële opleidingen - getuigen daarvan. Om te komen tot de noodzakelijke versterking en verbreding van de pedagogische en educatieve infrastructuur moet vooral geïnvesteerd worden in basisvoorzieningen. En dat vereist landelijke beleidskaders en duidelijke keuzes op het terrein van financiering, positionering, kerntaken, kwaliteit en professionaliteit van de basisvoorzieningen. Dát is de insteek die centraal staat in de inleidingen van Ton Schouten (manager hogeschool Fontys) en Marriët Mittendorff (wethouder Jeugd en Gezin) en dat tijdens de videopresentatie ook wordt onderstreept door Jan van Leijenhorst (VNG). Dat vereist samenwerking tussen overheden. Marriët Mittendorff verwoordt dat vanuit de Eindhovense situatie als volgt: 'Allerlei projecten en initiatieven van gemeenten ten spijt en ondanks de enorme impuls die het VVE-beleid heeft gegeven aan versterking van het aanbod; dit laat onverlet dat gemeenten niet in staat zijn en het ook niet tot hun kerntaak kunnen rekenen om zelf de noodzakelijke uitbreiding van basisvoorzieningen te realiseren. Dat geldt zeker als het gaat om een kindgericht aanbod voor 0-4 jarigen. Op dit moment staat ook de gemeente Eindhoven voor een cruciaal keuzemoment: rekent de rijksoverheid het tot haar verantwoordelijkheid om op grond van rechten van kinderen en doelstellingen op het terrein van opvoeden en opgroeien tot volwaardige burgers in een multiculturele samenleving te zorgen voor de totstandkoming van breed toegankelijke basisvoor-zieningen voor 0-4 jarigen? Of blijft men vasthouden aan historisch gegroeide en historisch te verklaren uitgangspunten waarbij kinderopvang wordt gezien als arbeidsvoorwaarde en de verantwoordelijkheid qua inhoud en financiering primair wordt neergelegd bij werkgevers/werknemersorganisaties en marktpartijen, en peuterspeelzaalwerk wordt overgelaten aan het initiatief van ouders, vrijwilligers en gemeenten. Er zijn goede argumenten om in het licht van veranderde inzichten en actuele maatschappelijke ontwikkelingen opnieuw de koers te bepalen en afstand te nemen van een situatie waarin de rijksoverheid wat betreft haar jongste inwoners uitsluitend een verantwoordelijkheid ziet voor zover ouders te weinig inkomen hebben of naar verwachting tekort schieten. Voortgaan op deze weg leidt tot sociale segregatie en doet afbreuk aan de ontwikkelings- en onderwijskansen voor alle jonge kinderen. De vraag is wat is onze jeugd ons waard? Dat vergt grote investeringen, maar als we die niet doen, doen we onze jeugd en daarmee onze samenleving tekort. Kansen die op jonge leeftijd niet worden geboden, zijn daarmee namelijk ook verkeken en een slechte start kun je niet overdoen!' Dit betoog vindt ondersteuning in de videopresentatie, waarin met name Paul Leseman (Onderzoeker UvA) expliciet aangeeft dat voorgenomen beleidskeuzes op het terrein van particulier initiatief en marktwerking in o.a. de kinderopvang op gespannen voet staan met de pedagogische verantwoordelijkheid van de overheid. Interne differentiatie als waarborg voor aanbod op maat in basisvoorzieningenTijdens de conferentie wordt ook ingegaan op het belang van prioritering van specifieke doelgroepen. Gaat de Makelaar VVE met een pleidooi voor versterking van basisvoorzieningen niet voorbij aan de belangen van de doelgroepen van het onderwijsachterstandenbeleid?! zo luidt een expliciete vraag van enkele congresgangers. Uiteraard is dat geenszins de bedoe-ling! Dat zou ook in tegenspraak zijn met het motto van de conferentie. Het landelijk VVE-beleid is terecht ingezet vanuit onderwijsachterstandenbeleid. Met behulp van VVE-programma’s wordt geïnvesteerd in versterking van professionaliteit van leidsters en leerkrachten die niet of onvoldoende zijn opgeleid om jonge kinderen in hun vroegste ontwikkeling heel gericht te kunnen stimuleren en ondersteunen. Een te eenzijdige of te exclusieve prioritering van specifieke doelgroepen doet echter afbreuk aan de bredere doelstellingen van het onderwijs- en integraal jeugdbeleid. Uiteraard moet in het kader van VVE-beleid prioriteit worden toegekend aan gericht bereik en een geïntensiveerd aanbod – extra dagdelen en individuele aandacht voor (taal)ontwikkeling door individuele begeleiding of tutoring – voor ‘achterstandsgroepen’. En uiteraard moet zolang de middelen ontoereikend zijn gekozen worden prioritering van voorzieningen en wijken waar de concentratie van achterstandsgroepen het hoogst is. Maar een exclusieve prioritering van achterstandsgroepen - door het creëren van aparte voorzieningen en het uitsluiten van kinderen die niet op voorhand tot ‘achterstandsgroepen’ worden gerekend – doet afbreuk aan bredere doelstellingen op het terrein van sociale cohesie en sociale integratie en staat op gespannen voet met uitgangspunten die tot nu toe de onomstreden grondslag vormen van het Nederlands onderwijsbeleid: brede toegankelijkheid, waarborgen van kwaliteit en professionaliteit, en aanbod op maat voor ieder kind. Bovendien belemmert zo’n benadering een structurele inbedding van VVE in de pedagogische en educatieve infrastructuur, omdat hiermee de reeds bestaande diversiteit in kwaliteit, bereik en toegankelijkheid van voorzieningen en opleidingen op het terrein van kinderopvang, peuterspeelzalen en voorscholen wordt bestendigt en wellicht versterkt. In een groeiend aantal gemeenten wordt dan ook ingezet op interne differentiatie binnen breed toegankelijke voorzieningen (peuterspeelzalen, voorscholen) en het is wenselijk om die ontwikkeling te stimuleren door te investeren in goede basisvoorzieningen voor de jongste jeugd. Eindhoven investeert in SpilVia de inleidingen van Anton van Gerwen (stedelijk projectleider) en Marriët Mittendorff (wethouder Jeugd en Gezin) en bezoek op locatie worden de congresdeelnemers uitgebreid geïnformeerd over het Eindhovense Spilbeleid dat de grondslag vormt voor het lokale jeugd- en onderwijsbeleid. Het Spilbeleid – de afkorting komt van 'Spelen, Integeren, Leren' – is een voorbeeld van het door Jo Hermanns bepleite geïntegreerde beleid. De gemeente Eindhoven investeert hiermee samen met bestuurlijke partners op het brede terrein van onderwijs, welzijn, jeugdgezondheidszorg en – waar mogelijk – sport, recreatie en cultuur - in de totstandkoming van een geïntegreerd en samenhangend geheel van wijk- en buurtgerichte voorzieningen voor 0-12 jarigen. De Spilcentra zijn geworteld in een duidelijke pedagogische visie en moeten borg staan voor een breed, geïntegreerd en gedifferentieerd aanbod voor kinderen en ouders in de wijk dat per locatie wordt afgestemd op de specifieke behoeften van de aanwezige doelgroepen. Uitgangspunt daarbij is samenwerking tussen partners met behoud van autonomie. Dat vereist bestuurlijke samenwerking en ontwikkeling van bestuurlijke arrangementen die dat in de praktijk mogelijk maken en stimuleren. Ook in dat kader wijst Marriët Mittendorff op de verantwoordelijkheid van de landelijke overheid en constateert ze dat o.a. wet- en regelgeving zodanig moeten worden ingevuld en afgestemd, dat daarmee de noodzakelijke randvoorwaarden voor professionaliteit, kwaliteit en bereik, alsmede ruimte voor een zekere mate van flexibiliteit en maatwerk zijn gewaarborgd Spilcentra in de praktijkHet is de bedoeling om in Eindhoven binnen een tijdsbestek van tien jaar alle basisscholen, alle peuterwerk en kinderopvang te integreren tot Spilcentra. Het basisonderwijs en het peuterwerk zijn daarbij de twee hoofdaannemers. Zij nodigen andere organisaties op het terrein van kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, opvoedingsondersteuning, thuiszorg, sport, welzijn, cultuur – al naar gelang de behoeften en kansen die zich in de wijk/buurt aandienen - uit om mede vorm te geven aan de inhoud en organisatie van het Spilconcept. Zo krijgen alle kinderen daadwerkelijk kans op een goede start. Tijdens de locatiebezoeken wordt van gedachten gewisseld met een breed scala van direct en indirect betrokkenen: variërend van directeuren, leerkrachten en leidsters tot managers in de kinderopvang, en vertegenwoordigers van woningbouwcorporaties, politie en het grootwinkelbedrijf. In de praktijk wordt met veel inzet en enthousiasme gewerkt aan de operationalisatie van het Spilconcept, zo bleek. Dat het daarbij soms een zaak is van vallen en opstaan is vanzelfsprekend. Evenals het feit dat alles staat en valt met draagvlak, wederzijds vertrouwen en investeren van onderop. Soms is het daarbij nog een kwestie van aftasten en zoeken. Wat kunnen we samen bereiken en hoe pakken we dat aan? Hoe waarborg je dat een ieder ten volle invulling kan geven aan eigen kerntaken en verantwoordelijkheden? Hoe kun je kinderen, ouders en buurtbewoners betrekken en stimuleren dat ze daarin ook hun eigen verantwoordelijkheid nemen? Kortom er wordt hard gewerkt en men wil de resultaten ook graag zichtbaar maken. Maar ook wat dat betreft komt naar voren dat er tijd en ruimte moet zijn voor ontwikkeling en groei, voor maatwerk en dat het elkaar willen aanspreken en afrekenen op resultaten geen afbreuk mag doen aan elementen en resultaten die wellicht niet direct meetbaar en becijferbaar zijn, maar die wel essentieel zijn voor het realiseren van de smalle en bredere doelstellingen van het landelijk en lokaal onderwijs- en jeugdbeleid. De landelijke overheid gaat door!Ook de landelijke overheid is vertegenwoordigd op de laatste Makelaarsconferentie. De minister van onderwijs Maria van der Hoeven is verhinderd en daarom neemt directeur Primair Onderwijs Jo van Ham de honneurs waar. Ook hij stelt vast dat het VVE-beleid duidelijk vruchten heeft afgeworpen. Tegen voorschoolse educatie wordt door ouders en leerkrachten niet langer vreemd aangekeken. Iedereen is er inmiddels van overtuigd dat spelenderwijs leren belangrijk is voor de ontwikkeling van een kind. 'Wat betreft de toekomst van het VVE-beleid zijn doelstellingen vastgelegd in het tweede Landelijk Beleidskader GOA. Maar dat betekent niet dat we achterover kunnen leunen. We zullen nu al moeten nadenken over het GOA- en VVE-beleid voor de jaren na 2006.' We zijn in dat verband erg benieuwd naar de GOA-plannen van de gemeentes, onder andere voor het jonge kind. Eind dit jaar verschijnt een analyse van de nieuwe gemeentelijke GOA-plannen. Tegen die tijd is er ook een duidelijk beeld van de manier waarop de gemeentes het extra geld voor VVE hebben ingezet. Op basis van dat inzicht, en op basis van de adviezen van de Onderwijsraad, de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling en de verkenning VVE, zal de minister in maart 2003 in een brief aan de Tweede Kamer schetsen hoe de voor- en vroegschoolse educatie en het GOA-beleid zich in de toekomst zullen ontwikkelen. Verder oriënteert de minister zich op de invoering van een begintoets voor alle kinderen en op de vraag of samenhang mogelijk is tussen de begintoets en een taaltoets VVE. De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Clemence Ross-Van Dorp gaat in haar speech expliciet in op de relatie tussen VVE en integraal jeugbeleid. Zij benadrukt het belang van actieve inzet en betrokkenheid van ouders en investeringen in opvoedingsondersteuning. Bovendien onderschrijft zij het pleidooi dat wet- en regelgeving ruimte en stimulans moet bieden voor afstemming en samenhang en een gebundelde inzet van middelen. Zij zal zich daar zeker voor inzetten en bevorderen dat hierover goede afspraken worden gemaakt tussen de departementen en de gemeenten. Transferpunt OADe Makelaar VVE is in 2000 door de ministeries van OCenW en VWS ingesteld om een regiefunctie te vervullen bij activiteiten rondom de implementatie van VVE. Het Procesmanagement Primair Onderwijs (PMPO) en het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) hebben samen tot het najaar van 2002 deze functie vervuld. De implementatie van voor- en vroegschoolse educatie maakt nu deel uit van het Landelijk beleidskader gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (LBK), waar een van de doelstellingen luidt dat in 2006 de helft van alle doelgroepkinderen deel moet nemen aan effectieve VVE-programma’s. Om deze en andere doelstellingen van het LBK te realiseren, is samenwerking tussen het Rijk, de gemeenten en de schoolbesturen nodig. In het Transferpunt Onderwijsachterstanden, dat in 2002 is opgericht, werken het ministerie van OcenW, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de besturenorganisaties in het onderwijs samen om een landelijke bijdrage te leveren aan het realiseren van de LBK-doelstellingen. 'De implementatieactiviteiten in het kader van GOA-II moeten daarop aansluiten. De minister heeft het Transferpunt Onderwijsachterstanden dan ook gevraagd om na te gaan welke vragen er leven bij besturenorganisaties over de verdere implementatie van onder andere VVE. Het Transferpunt zal naar verwachting half november met een plan van aanpak daarvoor komen.' aldus Jo van Ham.
Lokaal beleid / lokale ontwikkelingen
1. Lokaal beleid en lokale ontwikkelingenBouwstenen voor samenwerking peuterspeelzaal en onderbouw basisschool (april 2003)Uw gemeente heeft het beleidsvoornemen om de samenwerking tussen peuterspeelzalen en basisscholen te versterken of wellicht op te starten. Het is ook mogelijk dat een welzijnsorganisatie of een schoolbestuur wil werken aan afstemming en overleg tussen onderwijs en welzijn. Soms is het prettig wanneer een buitenstaander dit proces begeleidt: Sardes biedt deze ondersteuning. Gemeenten en instellingen vinden samenwerking tussen peuterspeelzalen en basisscholen belangrijk omdat zij willen werken aan een doorgaande lijn. Een cruciaal overgangsmoment voor een kind is de overstap van een voorschoolse voorziening naar de basisschool. Het belang van samenwerking is gebaseerd op het principe dat het positief is voor de ontwikkeling van kinderen wanneer deze overgang soepel verloopt. Hoe minder breuken kinderen ervaren, bijvoorbeeld doordat leidsters en leerkrachten de manier waarop ze met kinderen werken op elkaar afstemmen en zoveel mogelijk baseren op deze visie, hoe groter hun grip op de eigen situatie. Er bestaan verschillende vormen van mogelijke samenwerking tussen peuterspeelzalen en basisscholen. Dat kunnen hele praktische activiteiten zijn, maar ook intensieve vormen van samenwerking waarbij de peuterspeelzalen en de basisschool hun programma inhoudelijk afstemmen. Iedere situatie is uniek en daarom bieden wij een aanbod op maat. De eerste stap is een oriënterend en gratis gesprek over de huidige samenwerkingsrelatie tussen onderwijs en welzijn tot met het doel dat u wilt bereiken. Op basis van deze informatie stellen wij een aanbod samen en maken een uitgebreide offerte. Wij bieden een passend aanbod, maar wij werken wel met een aantal bouwstenen die van belang zijn voor samenwerken aan kwaliteit:
Er zijn meerdere wegen naar Rome: misschien is in uw situatie een studiemiddag voldoende om de samenwerking te versterken. Soms is een langer traject nodig, bijvoorbeeld omdat er onvoldoende draagvlak is bij de basisscholen en peuterspeelzalen om te gaan samenwerken. U kunt ook kiezen voor de cursus Samenwerking. Deze cursus richt zich op de beginnende samenwerking tussen de peuterspeelzaal en de onderbouw van de basisschool. Beide partijen gaan samen aan de slag en doorlopen in korte tijd een stappenplan. Aan het einde van de cursus liggen er concrete samenwerkingsafspraken waar meteen aan gewerkt kan worden. Wanneer u belangstelling heeft voor dit aanbod, kunt u contact opnemen met Berend Schonewille of Heleen Versteegen, tel. 030 – 232 62 00 Sardes Voor- en Vroegschoolse educatie (van de website www.sardes.nl) Peuterspeelzalen gemeente Overbetuwe nemen principebesluit te fuseren* (voorjaar 2002)* Notitie n.a.v. een oriënteringsfase op mogelijke samenwerking, april 2002 VoorafNa opheffing van de afzonderlijke gemeenten Elst, Heteren en Valburg namen de 8 organisaties voor peuterspeelzaalwerk binnen de context van de nieuw ontstane gemeente Overbetuwe in april van 2002 het principebesluit, onder de navolgende voorwaarden, te willen fuseren: Om een organisatie van een dergelijke omvang te kunnen managen is het in ieder geval noodzakelijk dat:
Verder stelden de betrokken organisaties dat voor het welslagen van een eventueel fusieproces een goede voorbereiding noodzakelijk is. De betrokken besturen zijn dan ook van mening dat een dergelijk proces deskundig begeleid zal moeten worden en dat de gemeente Overbetuwe de betrokken besturen hierin financieel tegemoet zal moeten komen.
Aanleiding principebesluit (motief)De besturen van de betrokken Overbetuwse peuterspeelzalen constateerden gezamenlijk de noodzaak van een nauwere onderlinge samenwerking en vervolgens van een verregaande professionalisering van het peuterspeelzaalwerk. De besturen deden deze constatering tegen de achtergrond van:
Ervaren knelpunten (bedreigingen) en geconstateerde positieve punten (kansen) van de huidige afzonderlijke Overbetuwse organisaties voor peuterspeelzaalwerkDe betrokken besturen inventariseerden wat zij als knelpunten binnen hun organisatie ervaren. Zij benoemenden de volgende knelpunten (scorend van hoog naar minder hoog):
De betrokken besturen hebben tevens geïnventariseerd wat de belangrijkste positieve zaken zijn binnen hun organisaties. Zij vinden de volgende zaken binnen hun organisatie positief (scorend van hoog tot minder hoog):
Binnen één nieuwe sterke organisatie voor peuterspeelzaalwerk zien de betrokken besturen de mogelijkheid het hoofd te bieden aan de geconstateerde knelpunten en de sterke kanten minimaal te continueren.
Lokale situatieNa de gemeentelijke herindeling bestaat de gemeente Overbetuwe uit 11 kernen:
De gemeente Overbetuwe telt ongeveer 40.000 inwoners, waarvan ca 1.400 2 1/2 - 4 jarigen. In alle oude gemeenten vond peuterspeelzaalwerk plaats. De volgende 8 organisaties zijn voor de uitvoering van dat peuterspeelzaalwerk verantwoordelijk:
Totaal : 8 verschillende organisaties voor peuterspeelzaalwerk, die tezamen 10 peuterspeelzalen exploiteren. Het totale bereik (inclusief het potentieel bereik) van al de organisaties voor peuterspeelzaalwerk in de gemeente Overbetuwe ligt rond de 60 %. Dit is gelijk aan het landelijk gemiddelde. De gehanteerde groepsgrootte staat los van het aantal leidsters dat voor een groep staat. De leidster-kindratio geeft vervolgens het aantal peuters op één betaalde leidster weer. De stichting Peuterspeelzalen Elst, de stichting 'Kindercentrum Peuterdorp' (Heteren) en de stichting 'de Paddestoel' (Driel) hanteren alle drie een groepsgrootte van 20 peuters en 2 leidsters op één groep. De leidster-kindratio is bij deze 3 stichtingen is 1:10. De stichting 'Peuterspeelzaal de Santenkraam' (Herveld) hanteert een groepsgrootte van 20 peuters en 1,6 (aangevuld met 0,4 vrijwilligers) leidster op één groep. De leidster-kindratio is 1:12,5. De stichting 'Peuterspeelzaal de Veldmuisjes' (Oosterhout) hanteert een groepsgrootte van16 peuters en 1 leidster op één groep. De leidster-kindratio is 1:16. De stichting 'Peuterspeelzaal Hummeloord' (Valburg) hanteert een groepsgrootte van15 peuters en 1 leidster op één groep. De leidster-kindratio is 1:15. De stichting 'Peuterspeelzaal Zetten e.o.' hanteert een groepsgrootte 18 peuters en 1 leidster op één groep. De leidster-kindratio is resp. 1:18.
Het peuterspeelzaalwerk in Helmond wenst een professionele toekomst* (voorjaar 2002)* 'Peuterspeelzaalwerk in Helmond wenst een professionele toekomst'. Helmond, 2002 VoorafDe wens van een professionele toekomst maakte het Helmondse peuterspeelzaalwerk kenbaar via de notitie 'Peuterspeelzaalwerk in Helmond wenst een professionele toekomst' (verschenen in het voorjaar van 2002). De notitie werd samengesteld door een stuurgroep, waarin de volgende 2 organisatie participeerden: de stichting 'Helmondse Overkoepeling Peuterspeelzalen' (ter plekke bekend als de stichting HOP) en de stichting 'Welzijnsbevordering Helmond' (SWH). In de notitie wordt ingegaan op de toekomstige positionering van het peuterspeelzaalwerk in Helmond en wordt aangegeven welke toekomstige organisatievorm wenselijk is. De aanleiding voor het opstellen van de notitie was het feit dat de stichting HOP te kennen had gegeven niet in volle omvang de verantwoordelijkheid kon en wilde dragen voor de prestatieafspraken met de gemeente Helmond en voor de verantwoordelijkheid die de status van professionele ondersteuning met zich meebrengt. Genoemde verantwoordelijkheid werd daarom destijds overgedragen aan de SWH, nadat de gemeenteraad van Helmond in 1998 besloten om de gelden voor de beroepsmatige ondersteuning van de peuterspeelzalen aan de stichting HOP toe te kennen. De betrokken organisaties vonden, mede doordat de termijn die betrekking heeft op de overeenkomst, inzake de toegekende verantwoordelijkheden, in augustus 2002 zou aflopen. Men vond het tijd voor een evaluatie.
Helmondse situatieIn Helmond zijn 23 peuterspeelzalen. Van deze 23 peuterspeelzalen zijn er 7 zgn. OK - peuterspeelzalen (OK = OnderwijsKansen) en 16 zgn. basis peuterspeelzalen. Alle Helmondse stichtingen, op één stichting na, die peuterspeelzalen in hun beheer hebben zijn vertegenwoordigd in de stichting HOP. De SWH beheert 7 peuterspeelzalen en de overige 16 peuterspeelzalen worden beheerd door zelfstandige stichtingen. De stichting HOP stelt zich ten doel:
De 16 basis peuterspeelzalen worden begeleid door twee of meer vrijwillige leidsters. De groepsgrootte varieert van 12 tot 24 peuters. In de 7 OK Peuterspeelzalen worden de groepen (15 peuters) begeleid door 2 beroepskrachten en één vrijwillige leidster. Het bereik is 61,5 %. Wanneer hierbij de wachtlijstkinderen worden opgeteld komt het percentage bereik / potentieel bereik op 69 %. De stichting HOP heeft tot haar beschikking:
Het bereik en potentieel van de peuterspeelzalen ligt rond de 69 %.
KnelpuntenDe vrijwillige leidsters ontvangen een vergoeding van € 700 per jaar. Hiervoor zijn zij 48 weken per jaar actief en de inzet varieert van 6 tot 12 uur per week. In toenemende mate blijkt het onbetaalde werk tot betaald werk (in 2001 was dat het geval voor 52 % van alle vrijwillige leidsters). De ervaring en kennis vliegt de deur uit. Ook binnen de besturen van de betrokken 26 stichtingen is het verloop groot (26 % in 2001). De basispeuterspeelzalen zijn steeds vaker bezig om hun hoofd boven water te houden. Het steeds weer werven van vrijwilligers kost veel te veel tijd. Geconcludeerd wordt dat de maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van de pedagogische kwaliteit van de peuterspeelzaal niet meer zijn waar te maken zonder de inzet vna professionals. Dit ondanks de enthousiaste inzet van alle betrokkenen.
Professionalisering moetHoewel het chronisch tekort aan vrijwilligers als een motief tot de noodzaak van professionalisering wordt genoemd, vinden de samenstellers van de notitie met steun bij allerlei landelijke ontwikkelingen en maatschappelijke verwachtingen t.a.v. het peuterspeelzaalwerk. Het peuterspeelzaalwerk is op weg een belangrijke partner te worden binnen het lokale jeugdbeleid 0 - 6 jarigen en wil het de verwachtingen waar kunnen maken, dan zal er in een verbetering van de randvoorwaarden geïnvesteerd moeten worden. De betrokken organisaties nodigen in hun notitie de gemeente Helmond uit die randvoorwaarden nadrukkelijk te verbeteren.
Mogelijke toekomstige organisatievormen en een stappenplanIn de notitie wordt gekozen het peuterspeelzaalwerk in de toekomst onder te brengen binnen het welzijnswerk. Voor een verregaande professionalisering wordt een faseplan gepresenteerd dat zich uitstrek over een periode van 4 jaar.
Doetinchemse peuterspeelzalen ondergebracht bij Yunio (november 2002)VoorafProfessionalisering van het peuterspeelzaalwerk en het zorgen voor continuïteit zijn de belangrijkste redenen voor het onderbrengen van alle huidige peuterspeelzalen bij Yunio. Het college van B&W gemeente Doetinchem heeft ingestemd met de uitgangspunten die moeten leiden tot een budgetovereenkomst tussen de gemeente en Yunio. Vanaf 1 november zullen de veertien Doetinchemse peuterspeelzalen worden ondergebracht bij Yunio. Yunio ontstond uit een fusie tussen Okido (kinderopvangorganisatie) en de Zorggroep Oost Gelderland. Yunio verzorgt een keten van diensten gericht op aanstaande ouders en ouders met kinderen van nul tot dertien jaar. Het pakket omvat Kraamzorg, Jeugdgezondheidszorg (consultatiebureaus), Kinderopvang en Peuterspeelzalen.
ProfessionaliseringTot voor het onderbrengen van de peuterspeelzalen bij Yunio werden de peuterspeelzalen vooral bestuurd door vrijwilligers. Het was voor de afzonderlijke besturen, die veelal bestaan uit ouders, steeds moeilijker de benodigde continuïteit en kwaliteit te garanderen. Daarom is gekozen voor de overgang naar Yunio. Ook voor de peuterspeelzaalleidsters is de verandering belangrijk; in de nieuwe organisatie worden zij gecoacht en begeleid in de uitvoering van hun werk.
UitgangspuntenNa een reeks zeer constructieve overleggen tussen de besturen van de peuterspeelzalen en Yunio is er overeenstemming bereikt over de kernopdracht van de peuterspeelzalen. Vanuit deze kernopdracht zijn afspraken gemaakt over het behoud van identiteit, het plaatsingsbeleid en de pedagogische uitgangspunten.
Extra investeringIn het peuterspeelzaalwerk komt steeds meer regelgeving o.a. op het gebied van veiligheid, kwaliteit en hygiëne. Om te voldoen aan deze regels moeten er steeds meer kosten worden gemaakt. Bovendien geldt voor de meeste peuterspeelzalen dat het bestuurswerk dat tot nu toe door vrijwilligers werd verricht, nu wordt overgenomen door medewerkers in loondienst. De gemeente investeert eenmalig fors in de aanschaf van buitenspelmateriaal, ergonomisch meubilair en binnenspeelmateriaal. Daarnaast heeft de gemeente een structurele bijdrage toegezegd die neerkomt op een 50/50 verdeling van de kosten tussen de gemeente en ouders. Ten aanzien van de bijdrage van de ouders wordt een inkomensafhankelijke ouderbijdrage toegepast waarbij aandacht is voor de toegankelijkheid voor ouders met lagere inkomens.
Nadere informatieVoor meer informatie kunt u contact opnemen met Liesbeth Nijkamp, projectleider peuterspeelzalen Yunio. Telefoonnummer 0314-359418 of 06-20634782.
Peuterwerk, kinderspel; tien jaar SPL 1991-2001 (2001)De Stichting Peuterwerk Landgraaf vierde in 2001 het feit dat de SPL 10 jaar geleden ontstaan is uit een fusie van 6 autonome stichtingen peuterspeelzaalwerk, die samen 12 peuterspeelzalen beheerden. De SPL vond dit de moeite waard om dat uitgebreid te vieren. Naast allerlei festiviteiten leverde dit lustrum een alleraardigst en kleurrijk boekwerk op, getiteld: Peuterwerk, kinderspel; tien jaar SPL 1991-2001. Voor die organisaties die iets dergelijks ook willen realiseren: een heel leuk voorbeeld. Voor die peuterspeelzalen die nog twijfelen aan het nut van samengaan met andere peuterspeelzalen in de eigen gemeente: een heel interessant boekje om eens te lezen. Voor nadere inlichtingen (overigens die het eerst komt, die het eerst maalt!) kunt u contact opnemen met het kantoor van de SPL: 045-5311983
Gemeente Veghel wil peuterspeelzaalwerk verder professionaliseren (april 2001)In Veghel heeft de gemeenteraad de beleidsnota 'Peuterspeelzaalwerk gemeente Veghel' vastgesteld. De gemeente achtte het gewenst dat in het kader van de voorbereiding op de basisschool het peuterspeelzaalwerk verder werd geprofessionaliseerd. Alle speelzalen hebben in eerste instantie een basisfunctie. In wijken waar sprake is van achterstand kunnen plusfuncties worden ingevoerd (Informatie: Erik Tausch, gemeente Veghel, tel. (0413) 38 64 76).
Gemeente Ooststellingwerf doet een kleine stap in de goede richting (voorjaar 2001)De gemeente Ooststellingwerf presenteert door middel van de notitie 'De kleine Stap(t) in de goede richting' de plannen voor een verdergaande professionalisering van het peuterspeelzaalwerk. De gemeente Ooststellingwerf constateert dat een verdergaande professionalisering vraagt om professionele leiding en een professioneel bestuur. Daarnaast constateert de gemeente Ooststellingwerf dat schaalvergroting of een verdere vorm vna samenwerking noodzakelijk is om in te kunnen spelen op de vele ontwikkelingen. Verder vindt de gemeente Ooststellingwerf het noodzakelijk te streven naar een centraal werkgeverschap en standaardisatie van uren van de leidsters.
Stroomlijnen samenwerkingpeuterspeelzalen / basisschool (1999)Om de samenwerking tussen de speelzalen en basisscholen te stroomlijnen heeft Stichting De Meeuw de map Peuters en kleuters uitgegeven. De map beschrijft mogelijkheden, uitgangspunten, randvoorwaarden en regelingen. Verdere professionalisering van voor- en vroegschoolse voorzieningen sluit aan bij het Rotterdamse 'Tweede Thuisproject'. Els Kuyper, wethouder Onderwijs en Jeugdbeleid schrijft in het voorwoord van de map Peuters & Kleuters: 'Met de Operatie 'Tweede Thuis' hopen we elk kind een veilige en stimulerende opvangmogelijkheid te bieden, naast de plek in het gezin thuis. Veel jonge kinderen in Rotterdam kunnen een steuntje in de rug goed gebruiken, bijvoorbeeld omdat ze thuis een andere taal spreken. Voor hen is een peuterspeelzaal die samenwerkt met een basisschool een goede plek waar ze hun speelervaring kunnen verruimen.' 'Peuters & kleuters, Een handreiking tussen peuterspeelzaal en basisschool'. 1999. Stichting De Meeuw, Postbus 57689, 3008 BR Rotterdam, telefoon (010) 486 30 22. e-mail: stichting@de-meeuw.nl; internet www.de-meeuw.nl
Noord-Holland: Peuterspeelzalen in beeld (2000)In het kader van het project 'Profilering, Positionering, Professionalisering' constateerde IMCO, de Noord Hollandse provinciale steunfuctieorganisatie, dat peuterspeelzalen behoefte hebben aan informatie over de manier van werken. Want voor tal van zaken zijn voor de werksoort geen algemeen geldende normen of richtlijnen vastgesteld. Ook gemeenten hebben behoefte aan informatie om hun beleid ten aanzien van het speelzaalwerk verder te ontwikkelen. Om beter inzicht te krijgen in de huidige praktijk heeft IMCO in het najaar van 2000 een inventarisatie gehouden onder de speelzalen in Noord-Holland. Het verslag van deze inventarisatie geeft een goed beeld van verschillende onderwerpen zoals de gemiddelde groepsgrootte, aantal leidsters, overhead, wachtlijsten, bereik, ouderbijdrage en subsidie. Ook worden samenwerking, specifieke projecten en een aantal aspecten van kwaliteit in beeld gebracht. 'Peuterspeelzalen in beeld', Purmerend:IMCO, f 12,50. IMCO, telefoon (0299) 41 87 00, e-mail: informatiepunt@imco-nh.nl
Tweejaarlijkse stand van zaken Zeeuws peuterspeelzaalwerkScoop voert tweejaarlijks een onderzoek uit naar de stand van zaken binnen Zeeuwse peuterspeelzalen voor wat betreft aantallen, wachtlijsten, ouderbijdragen etc. Informatie hierover kan worden opgevraagd bij Wim van Gorsel (0118-682558), www.scoopzld.nl.
Stichting Samenwerkende Peuterspeelzalen Schouwen-Duiveland; één jaar na de fusieNa de start in maart 200 was 2001 het eerste volledige kalenderjaar voor de nieuwe samenwerkingsstichting. Onder de stichting vallen 9 peuterspeelzalen, verdeeld over 9 dorpskernen (Bruinisse, Oosterland, Nieuwekerk, Dreischoor, Brouwershaven, Kerkwerve, Scharendijke, Renesse en Burgh-Haamstede).Het bereik lag in 2001 op 77 % van alle 2 ½ - 4 jarigen. De maximale groepsomvang bedraagt 18 peuters. Op een groep van maximaal 18 peuters staan 2 gekwalificeerde leidsters. De peuters bezoeken twee keer per week de peuterspeelzaal. In incidentele gevallen bezoekt een peuter de peuterspeelzaal voor meerdere dagdelen per week. De ouderbijdrage (een vast bedrag per maand ongeacht het inkomen) bedroeg in 2001:
De ouderbijdrage wordt over 11 maanden per jaar geïnd (in de maand juli wordt geen ouderbijdrage geïnd). In het voorwoord concludeert de voorzitter van de stichting Frans Kok na de intro: “We cannot always build the future for our youth, but we can build our youth for the future” (Franklin Delnano Roosevelt (1882-1945), onder andere het volgende. Peuterspeelzalen hebben, naast het gezin, als mede beïnvloeder van buiten een verantwoordelijkheid t.o.v. de jeugd. Om deze medeverantwoordelijkheid waar te kunnen maken zal het peuterspeelzaalwerk verder moeten professionaliseren. Peuterspeelzaalwerk is geen vrijblijvende zaak meer van gedreven vrijwilligers, maar van medewerkers die je moet kunnen aanspreken. Hij constateert verder dat in het eerste volledige jaar de vrees naar voren kwam de eigen identiteit te verliezen. Hiervoor behoeft naar zijn zeggen geen angst te zijn. De peuterspeelzalen worden immers geleid door mensen, die allen altijd min of meer een eigen stempel op een organisatie drukken. Hij stelt dat die angst onnodig is. Wel waarschuwt hij voor afzondering van de centrale organisatie. Hij vestigt de aandacht op het belang van eenheid binnen de organisatie. En doet dan ook een beroep op de lokale besturen en de leidsters meer betrokkenheid bij de centrale organisatie te tonen. Samenwerken binnen één organisatie is meer dan alleen maar informatie uitwisselen. Tot slot concludeert hij dat het peuterspeelzaalwerk een onderdeel is van een zich steeds weer veranderende wereld en dat het peuterspeelzaalwerk daar midden in staat. In het jaarverslag wordt geconstateerd dat er in het eerste volledige jaar al veel is bereikt: een goed systeem voor de inning van de ouderbijdrage, de uitvoering van het (administratieve) personeelswerk, de opzet van de financiële administratie en de uitbreiding van dagdelen. Maar er valt ook nog veel te doen. De stichting concludeert dat ze er voor moet oppassen niet te veel te blijven steken in de dagelijks gang van zaken, maar dat er ook ruimte en tijd moet zijn voor het inspelen op actuele ontwikkelingen. Zo zal er ook een duidelijke toekomstvisie ontwikkelt moeten worden. Het gegeven dat het bestuur aansluiting heeft gezocht bij de inhoud van het visiedocument ‘Peuterspeelzaalwerk in 21ste eeuw, geeft aan dat de stichting de actualiteit niet uit het oog verliest en serieus werk maakt van die toekomstvisie. De stichting is verder actief op het terrein van de VVE en wil nadrukkelijk verder investeren in kwaliteit. Uitgangspunt voor het peuterspeelzaalwerk is het spelenderwijs ontwikkelen en leren. Uit de jaarrekening valt op te maken dat in 2001 de gemeente 64 % van de totale kosten voor haar rekening nam en de stichting Samenwerkende Peuterspeelzalen Schouwen-Duiveland 36 % (via de ouderbijdrage).
Onderzoek naar een inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor de peuterspeelzaalIn februari 2002 verscheen het onderzoeksrapport ‘Onderzoek naar een inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor de peuterspeelzaal’. Het onderzoek vond plaats op verzoek van STEPS (STEdelijke Peuterspeelzaal Stichting te Maastricht), nadat de gemeente Maastricht STEPS had hiertoe had verzocht. STEPS zou met ingang van 1 januari 2002 moeten overstappen op een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Tot dat moment hanteerde STEPS een vaste ouderbijdrage van fl 6,-- ( 2,72 euro) per dagdeel. Het onderzoek richtte zich op de volgende 5 vragen:
Het onderzoek werd uitgevoerd door Maurice Oude Wassink (OWP Research te Maastricht). Wetenschapswinkel Universiteit Maastricht Het volledige onderzoeksrapport is te downloaden: http://www.ssc.unimaas.nl/wetenschapswinkel/pdf_docs/Steps%20(ouderbijdrage).PDF
Spilcentra in EindhovenOp maandag 4 november jl namen de makelaars VVE, tijdens een slotconferentie in Eindhoven, afscheid. Tijdens de slotconferentie stonden de Eindhovense Spilcentra centraal. De gemeente Eindhoven fungeerde hierbij als gastheer. De kennismaking met de Eindhovense Spilcentra was boeiend en verassend. ‘Spil’ is het nieuwe speel- en leermodel voor kinderen van 0-12 jaar, zoals de gemeente Eindhoven vorm geeft aan voorzieningen voor kinderen van 0 – 12 jaar. De naam Spil staat voor Spelen, Integreren en Leren, waarbij de maximale ontwikkelingskansen van alle 0 -12 jarigen staan centraal staan. In Eindhoven worden circa vijftig Spilcentra gerealiseerd, die alle dezelfde basisstructuur hebben, maar per gebied (wijk/buurt) een verschillende invulling krijgen. De invulling (maatwerk) is afhankelijk van de groep kinderen en ouders waarvoor ze zijn bedoeld. Op 4 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Eindhoven met de plannen ingestemd. Dit betekent dat in een periode van tien tot vijftien jaar overal in Eindhoven Spilcentra zullen ontstaan. “Spilcentra zijn ontwikkelingsgerichte centra op gebiedsniveau met de functies educatie, spelen, opvang, ontwikkelingsstimulering, opvoedingsondersteuning en een systeem van vroegsignalering en ontwikkelingsmonitoring. In Spilcentra werkt een aantal voorzieningen structureel inhoudelijk en organisatorisch samen. De basis van Spilcentra wordt gevormd door het basisonderwijs, het peuterwerk en de kinderopvang. Deze basis kan aangevuld worden met andere functies waardoor Spil-brede eenheden ontstaan”. Zo valt op de website van de gemeente Eindhoven te lezen. Verder op de website van de gemeente Eindhoven: “Voor ieder Spilcentrum wordt nauwkeurig in kaart gebracht welk aanbod voor het betreffende werkgebied of doelgroep gewenst is. De vraag van de gebruikers (de kinderen en ouders) vormt daarbij de kern. De gedachte van een ononderbroken ontwikkelingsgang voor kinderen, het inzicht in de dagindelingsproblematiek en het aanbieden van dagarrangementen liggen ten grondslag aan de keuze om in geheel Eindhoven tot Spilcentra over te gaan. Om dit te bereiken wordt er een convenant vervaardigd tussen de gemeente en de besturen van basisscholen, peuterwerk en andere partners, waarin bindende afspraken worden vastgelegd teneinde het Spilconcept in te voeren. Met het Spilconcept wordt een doorlopende infrastructuur van voorschoolse opvang, onderwijs, spelen, opvang tussen de middag en culturele, educatieve en sportieve activiteiten na school mogelijk gemaakt, die aansluit bij de behoeften van ouders en kinderen. Om het voorgenomen beleid om te zetten in concrete daden zal de gemeente Eindhoven de kansen die zich nu voordoen voor multifunctioneel gebruik van bestaande en nieuwe gebouwen aangrijpen om Spilcentra al op korte termijn te verwezenlijken”. Er is door de gemeente Eindhoven een speciale brochure over Spilcentra gemaakt, die u hier kunt downloaden. Meer informatie:
Hoe kansen kunnen kerenPiet Derikx, Okke Moeke en Jan Timmers (bovenschools management Signum te 's-Hertogenbosch) Het jaar 2001 was een bewogen jaar voor het peuterspeelzaalwerk in 's-Hertogenbosch. Op 11 juli ging de Facilitaire Stichting Peuterspeelzalen 's-Hertogenbosch failliet. Anderhalve maand later al was er een doorstart onder leiding van vijf besturen van scholen voor primair onderwijs. Gezamenlijk richtten zij de Stichting Peuterspeelzalen 's-Hertogenbosch (SPH) op. Het bestuur daarvan werd gedragen door deze schoolbesturen. De directie van het peuterspeelzaalwerk werd ondergebracht bij het bovenschools management van het grootste besturenkoppel, de Sint Jan Stichting en de Stichting Primair Onderwijs 's-Hertogenbosch. Deze twee besturen fuseerden in 2002 tot Signum. Deze ontwikkeling bracht het denken over het realiseren van meer samenhang tussen voorzieningen voor jonge kinderen en hun ouders, in een stroomversnelling. De tamelijk onorthodoxe beslissing om het peuterspeelzaalwerk te redden door het bestuurlijk onder te brengen bij het basisonderwijs leidde niet alleen tot een proces van bestuurlijke vernieuwing. Ze bleek ook een impuls voor een versterking van de kwaliteit en voor het realiseren van nieuwe mogelijkheden om ontwikkelingen op elkaar af te stemmen die tot dan toe tamelijk geïsoleerd naast elkaar plaats vonden, zoals regulier beleid en onderwijsachterstandenbeleid. Richtinggevend voor SPH zijn de drie P's van het Peuterspeelzaalwerk: Profilering als een laagdrempelige organisatie met expertise op het gebied van de ontwikkeling van jonge kinderen, Positionering van de peuterspeelzaal als de best mogelijke voorbereiding op het basisonderwijs en Professionalisering door binnen een transparante lerende organisatie te werken met gekwalificeerd personeel. Bestuurlijke integratie en vernieuwingPeuterspeelzaalwerk noch basisonderwijs kunnen op eigen kracht alle problemen oplossen die kunnen optreden in de ontwikkeling van kinderen. Ze vooronderstellen elkaar en dienen in samenhang met elkaar te opereren. Er is op lokaal niveau meer dan ooit behoefte aan de realisering van een sluitende aanpak voor 0- tot 12-jarigen, zodat kinderen zich via een ononderbroken lijn en in een stabiele omgeving kunnen ontwikkelen. Dat betekent: inhoudelijke en pedagogische afstemming tussen eerder onafhankelijk van elkaar opererende instellingen, meer lijn in de vroegtijdige onderkenning en signalering van problemen, versterking van de relatie van peuterspeelzaal en school met ouders en de buurt, versterking van het laagdrempelige karakter van de peuterspeelzaal. Dat vraagt om regievoering. Het onderbrengen van beide werksoorten in eenzelfde bestuurlijk construct maakt zo'n regievoering stukken eenvoudiger. Daarbij is het streven van zowel de gemeente als van de SPH erop gericht om peuterspeelzaal en basisschool ook fysiek te koppelen, dat wil zeggen op één locatie te huisvesten. Op dit moment geldt dat voor 18 van de 35 peuterspeelzalen - de andere zijn zelfstandig gehuisvest of ondergebracht in een wijkcentrum. Van deze koppeling verwachten we niet alleen meer inhoudelijke afstemming, maar ook een positief effect op de toeleiding van ouders en kinderen naar de peuterspeelzaal. Juist ook uit moeilijk bereikbare groepen. Mede met het oog op deze groepen is inmiddels een inkomensafhankelijke ouderbijdrage ingevoerd. Onderdeel van de bestuurlijke integratie is ook de integratie van 'regulier' en gespecialiseerd' peuterwerk, nu nog ondergebracht in verschillende zalen. Op 1 augustus 2003 moeten peuters - afhankelijk van hun behoeften – op alle locaties in aanmerking kunnen komen voor het zogenoemde plusaanbod dat nu nog gekoppeld is aan het gespecialiseerde peuterwerk voor specifieke doelgroepen: extra dagdelen per week, extra aandacht door meer gekwalificeerde leidsters, individuele aandacht of kleinere groepen, gespecialiseerde programma's, en/of extra opvoedingsondersteuning voor de ouders. Daarbij past de beleidskeuze van de gemeente om naar analogie van de gewichtenregeling in het basisonderwijs te werken met een peutergebonden financiering: voor peuters komt een hoger bedrag beschikbaar naarmate zij een hoger risico lopen ontwikkelings- en onderwijsachterstanden op te lopen. Ongeveer 30% van de peuters komt daarvoor in aanmerking. Passend bij het streven naar een sluitende aanpak zien we het peuterspeelzaalwerk als een basisvoorziening voor alle kinderen. In de Den Bossche situatie is de populatie van 2- en 3-jarigen – ook in de prognoses - redelijk stabiel. Het aantal kinderen schommelt tussen de 3050 en de 3200 kinderen. Op dit moment maken ongeveer 1350 peuters gebruik van één van de bestaande 35 voorzieningen. Dat is 42,5% van de populatie, en ca. 65% van alle peuters die geen kinderdagverblijf bezoeken. Voor de periode tot 2006 ligt ons streefcijfer op 65% van de doelgroep. Kwaliteitsimpuls peuterspeelzaalwerkHet beleid zet stevig in op een versterking van het management en op professionalisering van het peuterspeelzaalwerk. Onder de directie, in opdracht van de Stichting uitgevoerd door het bovenschools management van Signum, is de operationele leiding in handen van zogenoemde regieleidsters. Van deze functionaris wordt een opleiding op HBO-niveau gevraagd. Er zijn op dit moment vier regieleidsters, van wie er drie elk een aantal peuterspeelzalen aansturen (één regieleidster op ongeveer 500 peuters). De vierde is belast met het facilitaire proces. Vooralsnog bezetten zij samen 2,5 formatieplaats. De peutergroepen zelf bestaan uit maximaal 15 peuters en worden geleid door twee volwassenen, van wie minstens één gekwalificeerd is op MBO-niveau. Onze ambitie is om toe te groeien naar twee gekwalificeerde leidsters per groep. Naast externe professionalisering van de leidsters, scheppen we ruimte voor leren van elkaar door structureel inhoudelijk werkoverleg mogelijk te maken. Bij het werven van nieuw personeel streven we ernaar meer personeel aan te trekken met een niet-Nederlandse culturele achtergrond. Niet alleen om de wervingskracht naar allochtone ouders toe te versterken maar ook om het interculturele karakter van het aanbod stevig te verankeren. Ook in andere opzichten zetten we in op een versterking van het pedagogisch beleid. Dat geldt ook voor het ouderbeleid. De samenwerking met andere jeugzorg- en welzijnsvoorzieningen staat eveneens hoog op de agenda. Alle onderdelen van de pedagogische keten vragen om een versterking-in-samenhang. OntwikkelingenOp de beleidsagenda staat een verkenning van de mogelijkheden om op termijn de scheiding tussen kinderopvang en peuterspeelzaalwerk op te heffen. Idealiter bestaat er één voorschools model waarbinnen maatwerk mogelijk is en waarbinnen taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de onderscheiden partners (rijk, gemeente, ouders, marktpartijen) helder zijn aangegeven. Binnen dat model zouden ook andere voorzieningen voor jonge kinderen en hun ouders moeten participeren om aldus een integrale, sluitende aanpak mogelijk te maken. Één van de redenen waarom ouders kiezen voor kinderopvang boven peuterspeelzaalwerk is gelegen in de beperkte openstelling van het laatste. Daarom wordt in enkele pilots bekeken of het mogelijk is in peuterspeelzalen halve dagopvang te realiseren. Een andere ontwikkeling binnen dit integrale denken is het Brede scholenbeleid. Op dit moment bestaan er drie Brede Bossche Scholen, een vierde is in ontwikkeling en in de toekomst zullen er meer volgen. Nog een stap verder gaat de experimentele ontwikkeling van een nieuw educatief centrum, inmiddels Wittering.nl gedoopt, voor 0- tot 12- en mogelijk zelfs 14-jarigen. Dit laatste door de verbinding met een junior college. Het gaat hier om een samenwerkingsproject van Signum en KPC Groep. In dit project wordt voortgeborduurd op een trend in het denken om veel sterker te focussen op kenmerken van de ontwikkeling van kinderen en de noodzaak daarop in te spelen met voorzieningen. In dit centrum, dat in 2004 zijn deuren opent, staan het leren en de ontwikkeling van kinderen centraal. Dat vraagt om vloeiende(r) overgangen tussen - voor een deel nog aan leeftijd gekoppelde - voorzieningen, een andere inrichting van het curriculum (zonder iets af te doen aan het streven de kerndoelen te realiseren), een stevige koppeling tussen leren op school en leren buiten school, andere indelingen van groepen, andere wijzen van toetsing, andere vormen van begeleiding (met alle consequenties van dien voor de opbouw van een gedifferentieerd personeelsbestand), een flexibelere inrichting van het gebouw, en uitgebreide mogelijkheden voor wat traditioneel 'buitenschoolse opvang' heet. Kansen benut – kansen gekeerdLokaal onderwijsbeleid betekent onder meer kansen benutten die zich voordoen. In Den Bosch deed zich de mogelijkheid voor om twee soorten voorzieningen te koppelen die zich tot dan toe relatief onafhankelijk van elkaar ontwikkeld hadden, met alle nadelen van dien voor de kinderen. Met onze andere partners hebben we daarvan gebruik gemaakt. Daarop zijn we trots, vooral omdat we ervan overtuigd zijn dat dit de kansen van onze jongste inwoners op een goede start aanzienlijk zal verhogen.
Professionalisering en schaalvergroting gaan ook in Heerlen hand in hand(Werkbezoek Heerlen. Ton Biesta) De Stichting Peuterspeelzaalwerk Heerlen (PWH): de fusie is een feit“Donderdag 16 december zijn de fusiedocumenten getekend. Per 1 januari treedt de nieuwe Stichting Peuterspeelzaalwerk Heerlen in de plaats van alle tot dusver bestaande stichtingen. De gemeente Heerlen zal de komende jaren flink gaan investeren in het peuterspeelzaalwerk om de gewenste verdere professionalisering mogelijk te maken”. Hiermee begint de 4e Nieuwsbrief ‘Fusieproces peuterspeelzalen Heerlen’ van december 2002. Tot eerste directeur van de nieuwe stichting is inmiddels Ger Boekee benoemd. Vrijdag 29 november 2002 had ik met Ger, die nauw bij de totstandkoming van de nieuwe stichting was betrokken, in Heerlen een gesprek over de ontwikkelingen rond het peuterspeelzaalwerk in zijn gemeente. Een deel van wat er in dat gesprek aan de orde kwam, is in dit verslag verwerkt. De Heerlense peuterspeelzalen werkten reeds zo’n 10 jaar samenDe 25 peuterspeelzalen in Heerlen, vallend onder 17 besturen, werkten reeds zo’n 10 jaar in federatief verband samen. Alle organisaties voor peuterspeelzaalwerk waren lid van de (vereniging) Federatie Peuterspeelzaalwerk Heerlen (FPH). De FPH vervulde een dienstverlenende en ondersteunende rol ten behoeve van haar leden. Alleen de FPH had een subsidierelatie met de gemeente Heerlen. De FPH had geen zeggenschap over het beleid dat de betrokken organisaties voor peuterspeelzaalwerk voerden. De 25 autonome peuterspeelzalen hadden dus geen van alle een subsidierelatie met de gemeente Heerlen. De meeste peuterspeelzalen werkten met vrijwilligers. Enkele peuterspeelzalen hadden wel personeel in dienst. Het in dienstzijnde personeel werd betaald op basis van het minimum loon. De personeelskosten werden gedekt uit de ouderbijdragen. Mede hierdoor waren er tussen de peuterspeelzaalorganisaties nogal grote verschillen in de hoogte van de ouderbijdragen (variërend van € 15 tot € 34 per maand voor 2 dagdelen). Toen in 1998 de salarisregeling ‘Zelfstandige Peuterspeelzalen’ in werking trad, had dit voor de peuterspeelzalen die met betaalde leidsters werkten, grote gevolgen. De gemeente Heerlen verleende de betrokken peuterspeelzalen toen via de FPH een structurele subsidie in de loonkosten. Enige jaren geleden vond er een eerste samenbundeling van krachten plaats. De bedoeling was destijds te komen tot 4 grotere organisaties verdeeld over 4 regio’s. Er kwamen er echter 3 in plaats van 4. Zes organisaties, allemaal één peuterspeelzaal exploiterend, gaven er toen de voorkeur aan om zelfstandig te blijven. Door de clustering ontstond reeds enige uniformiteit in beleid en gewenning aan samenwerking. De komst van de VVE (Voor- en Vroegschoolse Educatie) zorgde vanaf november 2001 voor een flinke professionaliseringsimpuls. Maar liefst 10 van de 25 peuterspeelzalen kregen met VVE te maken. Het VVE programma werkt met 4 dagdelen i.p.v. de gebruikelijke 2 of 3 dagdelen. Daardoor zijn 3 zalen met nieuwe locaties gestart, waardoor er inmiddels in 13 zalen het programma Piramide wordt gebruikt. De reeds eerder doorgevoerde clustering en de komst van de VVE bleken een positieve invloed te hebben gehad op de volgende professionaliseringsslag, de uiteindelijke fusie. Eén van de organisaties met 2 peuterspeelzalen onder haar beheer haakte echter af en gaf er de voorkeur aan om niet mee te gaan in de nieuwe organisatie. De gezamenlijke peuterspeelzalen bereiken zo’n 1.200 peuters. Hetgeen neerkomt op een bereik van 65 % á 70 % van het totaal van de Heerlense peuters. Totaal 26 peuterspeelzalen gaan op in de Stichting Peuterspeelzaalwerk HeerlenBij de fusie zijn 8 afzonderlijke stichtingen voor peuterspeelzaalwerk betrokken:
In feite gaat het in Heerlen om 9 participanten. Behalve de 8 afzonderlijke stichtingen voor peuterspeelzaalwerk gaat ook de Federatie Peuterspeelzaalwerk Heerlen in de nieuwe organisaties op. De federatie heeft de afgelopen jaren een aantal praktische, meest beheersmatige diensten ten behoeve van de aangesloten stichtingen verricht. Aanleiding fusieZoals reeds vermeld werkten tot voorkort het merendeel van de Heerlense peuterspeelzalen met uitsluitend vrijwilligers. De aanleiding tot het samenvoegingproces en de behoefte aan een verregaande professionalisering van het Heerlense peuterspeelzaalwerk is vooral gelegen in de vele ontwikkelingen binnen het peuterspeelzaalwerk, die elkaar in de afgelopen jaren in een hoog tempo opvolgden. Zo kwam de peuterspeelzaal steeds meer in beeld als belangrijke voorschoolse educatieve voorziening. De komst van de VVE speelde hierbij een belangrijke rol. Tegelijkertijd kreeg het peuterspeelzaalwerk ook in Heerlen een steeds duidelijker plaats binnen het lokaal jeugdbeleid en het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. In de oriënteringsfase toonden de betrokken stichtingsbesturen zich in zijn algemeenheid voorstander van een fusie en wilden hier op basis van een goed plan aan meewerken. Men was het er over eens dat een verregaande professionalisering vanuit één organisatie beter aangestuurd kan worden. Hierbij was het voor de betrokken besturen van essentieel belang dat de professionalisering plaats zou vinden op basis van uniforme uitgangspunten voor alle peuterspeelzalen (VVE- en niet VVE-zalen). Met de fusie willen de betrokken organisaties het peuterspeelzaalwerk naar het niveau tillen van een hoogwaardige basisvoorziening. Die een belangrijke inbreng dient te leveren in domeinen als preventie en lokaal jeugdbeleid met dwarsverbanden met bijvoorbeeld onderwijs en kinderopvang. In oktober 2002 verscheen het strategische ontwikkelingsplan professionalisering 2003 – 2005. Genoemd plan vormt voor de gemeente Heerlen een beleidsdocument, dat ook in zijn consequenties door de gemeente Heerlen werd onderschreven. Gefaseerd traject professionaliseringDe professionalisering van het Heerlense peuterspeelzaalwerk zal in 4 stappen gefaseerd geschieden. Nadat per 1.1.2003 de fusie een feit is, zal de eerste professionaliseringsstap worden gezet (5 peuterspeelzalen). In 2004 gevolgd door 11 peuterspeelzalen, in 2005 door 4 peuterspeelzalen en tenslotte in 2006 de laatste 6 peuterspeelzalen. De totale structurele meerkosten zullen uiteindelijk ruim € 500.000 per jaar bedragen. Bij het bepalen van de volgorde van professionalisering werden in het voortraject een aantal criteria gehanteerd, die betrekking hadden op aan de fusie verbonden randvoorwaarden, de mogelijkheid om aan te haken bij kansrijke ontwikkelingen (bredeschool), bijdrage oplossing concrete knelpunten, bestendiging van in de praktijk gegroeide situatie en de grootste achterstand ten opzichte van de streefsituatie. Uniformering van beleidDe nieuwe stichting maakt een onderscheid in de basis- en de plusfunctie (VVE peuterspeelzalen). De basisfunctie geldt voor alle peuterspeelzalen en vereist minstens één beroepskracht op een groep van circa 14 peuters. De meest ideale situatie, die uitgaat van 2 beroepskrachten op een groep van circa 14 peuters, wordt op dit moment niet haalbaar geacht. Aangezien de steun van een 2e volwassene vereist is, zal er naast de beroepskracht een vrijwilligster worden ingezet. Bij de VVE peuterspeelzalen zullen er op de driejarige groepen van circa 14 peuters twee beroepskrachten worden ingezet. De komende tijd zal er gewerkt worden aan allerlei verdere organisatorische en meer inhoudelijk uniformering van beleid. Inmiddels heeft het stafbureau al aardig vorm gekregen. Naast de directeur zijn er op 1 januari 2003 verder onder andere 2 clustermanagers, 2 stafmedewerkers (pedagogisch beleid en kwaliteitsbeleid) en een personeelsconsulent begonnen. Tot slotHet fusieproces wordt begeleid door het bureau Arthur Jansen Advies uit Eijsden. Aan het gehele fusietraject liggen een strategisch ontwikkelingsplan en een plan ten behoeve van de bestuurlijke organisatie, management en facilitair bureau ten grondslag. De plannen zijn compact en goed leesbaar. Het proces verloopt tot nu toe voorspoedig. Uiteraard werden en worden met name de leidsters geconfronteerd met het inleveren van een groot deel van hun autonomie. Wat niet altijd even gemakkelijk is. Alle betrokkenen worden via een Nieuwsbrief periodiek op de hoogte gehouden van de voortgang van de fusie. Daarnaast zijn er nog informatiebijeenkomsten. Voor een aantal besturen betekent de realisering van de fusie een opluchting. De afgelopen jaren bleken ook een aantal besturen gebukt te gaan onder continuïteitsproblemen en een toenemende ingewikkeldheid van wet- en regelgeving. Verder wordt er de komende periode extra aandacht besteed het peuterspeelzaalwerk bij de lokale politiek en betrokken lokale partners, werkzaam op het terrein van het jonge kind, onder de aandacht te brengen. We zullen de komende tijd de interessante ontwikkeling de verdere ontwikkelingen op de voet volgen. Ton Biesta
Handreiking peuterspeelzaalbeleid (Oktober 2004)De Handreiking Peuterspeelzaalbeleid behandelt de inbedding van het peuterspeelzaalwerk in het lokale jeugdbeleid en in het bijzonder in de sluitende aanpak 0-6 jarigen. Daarnaast wordt ingegaan op de aspecten van professionalisering, kwaliteitseisen behorende bij de verschillende ambitieniveaus en de bekostiging. Als bijlage is een modelverordening toegevoegd, evenals enkele voorbeeldformulieren voor aanmelding en overdracht. U kunt de handreiking zelf downloaden.
Rapportage Kengetallen bedrijfsvoering 2003 voor het peuterspeelwerk & Expertmodellen binnenkort verkrijgbaar. (November 2004)Syneff Consult en AYIT Consultancy heeft in opdracht van de Mogroep een onderzoek verricht naar de bedrijfsvoering binnen het peuterspeelzaalwerk op analoge wijze zoals dat voor de kinderopvangsector is gedaan. Er werden empirisch actuele kengetallen opgesteld voor de bedrijfsvoering, de kosten, de inkomsten, het bedrijfsresultaat en kwaliteitsaspecten van het peuterspeelzalenwerk. Deze kengetallen geven een realistisch beeld van bestaande situatie in 2003 en maken vergelijkingen mogelijk naar ambitieniveau en naar categorie van organisatorische inbedding: zelfstandig gevestigde peuterspeelzalen, peuterspeelzalen binnen welzijnsorganisaties en binnen kinderopvangorganisaties. Er werden modellen voor de beoordeling van kostprijzen en vraagprijzen, cq. benodigde ouderbijdrages en subsidies ontwikkeld. De modellen sluiten zoveel mogelijk aan op de definities van de Modelverordening Peuterspeelzalenwerk. Nadere informatie bij Conny Diersman (diersmann@mogroep.nl) van het project Sterk Peuterspeelzaalwerk in bedrijfsvoering van de MO-groep.
Peuterspeelzalen en Voorscholen in de 4 grote steden gescheiden? / 'Voorschool koppelen aan basisschool' (VOS/ABB) (Mei / juni 2005)23 mei 2005 Peuters moeten naar voorscholen die direct zijn gekoppeld aan basisscholen. Door een goede aansluiting kan voorkomen worden dat jonge kinderen al met een achterstand instromen in het basisonderwijs. Dat staat in een gezamenlijk plan van VOS/ABB en AOb, die hierover in gesprek willen gaan met de vier grote steden. De vier grote steden hebben eerder het plan gelanceerd om leerplicht in te stellen voor kinderen van 2,5 tot vier jaar voor enkele dagdelen per week. Dat vindt VOS/ABB politiek onhaalbaar en ongewenst. "Met de oprichting van goede voorscholen kunnen we hetzelfde doel bereiken zonder zo'n leerplicht voor peuters", zegt Joop Vlaanderen van VOS/ABB, die het plan mede heeft ontwikkeld. Uitgangspunt van het plan voor voorscholen is dat investeren in kinderen in de vroegste periode kan maken dat het toekennen van een gewicht aan een kind op latere leeftijd niet meer nodig zal zijn. "Anders gezegd: als kinderen geen achterstand oplopen, hoeft die later ook niet weggewerkt te worden", aldus Vlaanderen. Doorlopende leerlijnDe voorschool voor peuters vanaf 2,5 jaar wordt volgens dit plan verbonden aan de basisschool, en het programma-aanbod wordt ontwikkeld en uitgevoerd in samenspraak met en onder eindverantwoordelijkheid van het basisonderwijs. Hierdoor kan een doorlopende ontwikkellijn naar groep 1 ontstaan. Daarin verschillen deze voorscholen van de huidige peuterspeelzalen. De koppeling aan een basisschool heeft als bijkomend voordeel dat ouders daar toch al komen om oudere kinderen naar school te brengen. Alle kinderen kunnen dan naar één adres en dat is aantrekkelijk voor ouders.. Volgens het plan moet er een duidelijke scheiding zijn tussen kinderopvang (crêches) aan de ene kant en educatie aan de andere kant (voorscholen). Niet zwart, maar gemengdMomenteel valt de voorschoolse educatie (voornamelijk peuterspeelzalen) onder verantwoordelijkheid van de gemeente. Er zijn al peuterspeelzalen die zich professionaliseren tot een voorschool, specifiek gericht op de doelgroep anderstalige kinderen. Daardoor zijn het meestal 'zwarte' voorscholen. Het plan van VOS/ABB en AOb is gericht om gemengde voorscholen, omdat het aanbod voor iedereen openstaat en aantrekkelijk is, terwijl de ouderbijdrage gedifferentieerd kan zijn. BekostigingVoor de bekostiging van de voorscholen denken VOS/ABB en AOb aan de geldstromen die er nu zijn voor gewichtenregeling (dit geld gaat rechtstreeks naar de scholen), de VVE (Voor- en Vroegschoolse Educatie) en de schakelklassen. Het VVE-geld gaat deels naar de basisscholen, deels naar de gemeenten. VOS/ABB vindt dat de bekostiging van het onderwijs piramidevormig moet zijn: breed aan de basis (de jongste leerlingen) en aflopend naar de top (tot startkwalificatie cq afgeronde vo-opleiding). De VOS/ABB is de grootste werkgeversorganisatie in het onderwijs.
|